Eiser trad op 1 januari 2021 in dienst bij RTV Noordoost Twente met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 31 december 2023 formeel eindigde. Ondanks de beëindiging heeft eiser vanaf 1 januari 2024 werkzaamheden verricht, waaronder het presenteren van een dagelijks radioprogramma.
Eiser vordert betaling van achterstallig loon en vakantiebijslag over de periode na 1 januari 2024, stellende dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet of dat een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan op grond van het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. RTV betwist dit en stelt dat de werkzaamheden vrijwillig waren zonder opdracht.
De kantonrechter oordeelt dat de formele aanzegging van beëindiging rechtsgeldig was en dat er geen stilzwijgende voortzetting van het dienstverband is. Wel is het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW van toepassing omdat eiser gedurende drie maanden substantieel arbeid heeft verricht. De arbeidsovereenkomst wordt daarom geacht voort te duren voor gemiddeld 21,5 uur per week.
RTV wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, vakantiebijslag, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.