Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[medeverdachte] ,
1.Het onderzoek op de terechtzitting
mr. D. Greven, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
nietdat tabak die niet gecontroleerd bevochtigd is met glycerine (dan wel een ander al dan niet vergelijkbaar middel zoals glycerol of glycol)
nietkan kwalificeren als rooktabak.
3 januari 2023 waarin de tabak volgens de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie 2019/c 119/01 was ingedeeld in categorie 2403 (Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak; tabaksextracten en tabakssausen), terwijl in de onderhavige zaak de tabak is ingedeeld in categorie 2401 (ruwe niet tot verbruik bereide tabak en afvallen van tabak), hetgeen volgens de verdediging met zich moet brengen dat de onderhavige tabak niet kan worden aangemerkt als rooktabak. De rechtbank overweegt dat deze conclusie alleen al niet kan worden gevolgd omdat de daaraan ten grondslag liggende stelling van de verdediging feitelijk onjuist is, nu (een deel van) de tabak in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 3 januari 2023 wel degelijk in tariefcode 2401 was ingedeeld. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank in voornoemd vonnis ook heeft geoordeeld, tabak die volgens de douanewetgeving als ruwe tabak wordt gecategoriseerd, niet per definitie ook als ruwe tabak in de zin van de Nederlandse accijnswetgeving moet worden gezien.
Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hiernavolgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest [9] :
Opzetwordt overwogen.
- die (rechts)persoon de hoedanigheid van de goederen kent, en
- deze daadwerkelijk toegang heeft tot die goederen, en
- deze (rechts)persoon weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing zijn betrokken.
opzettelijkvoorhanden heeft gehad. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.