Partij huurt een kantoorruimte met twaalf parkeerplaatsen van Granit tegen een maandelijkse huurprijs van €6.978,69. Er is een betalingsachterstand van €47.637,58 ontstaan doordat slechts de helft van de huur over zeven maanden is betaald en de servicekostenafrekeningen niet voldaan zijn. Granit vordert ontruiming en betaling van de achterstand, terwijl partij in reconventie een huurprijsvermindering vordert wegens gebreken aan het gehuurde.
De kantonrechter oordeelt dat Granit geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, mede omdat ook andere huurders van het pand de servicekosten niet betalen en Granit tegen hen wel een bodemprocedure is gestart. De dagvaarding voldoet niet aan de substantiëringsplicht omdat Granit niet heeft gereageerd op het opschortingsverweer van partij, maar dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid.
De vorderingen van Granit worden afgewezen. In reconventie wordt het spoedeisend belang van partij wel aangenomen, maar onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de gebreken aan de klimaatinstallatie, lekkages, voordeur en parkeerplaatsen nog aanwezig zijn. De gevorderde huurprijsvermindering wordt daarom ook afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten.