Eiseres had een arbeidsovereenkomst en aandeelhouderschap bij MRON, welke niet zijn nagekomen doordat MRON haar niet in dienst heeft genomen. De rechtbank heeft in een eerder vonnis vastgesteld dat MRON toerekenbaar tekort is geschoten en veroordeelde MRON tot schadevergoeding, die in deze procedure nader wordt vastgesteld.
De rechtbank beoordeelt de omvang van de schade door vergelijking van de feitelijke en hypothetische vermogenspositie van eiseres, waarbij zij uitgaat van een dienstverband van twee maanden, de duur van de proeftijd. Eiseres vorderde ruim vijf miljoen euro aan schade, gebaseerd op toekomstige inkomsten, dividend en waardestijging van aandelen, maar de rechtbank acht dit onwaarschijnlijk en onvoldoende onderbouwd.
MRON stelde dat eiseres slechts kortdurend verbonden zou zijn geweest en dat haar feitelijke inkomenspositie onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank volgt dit en schat de schade op €43.975, inclusief gederfde inkomsten over twee maanden en bijkomende kosten. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 januari 2020, de dag waarop het dienstverband zou zijn aangevangen. De proceskosten worden toegewezen aan MRON, aangezien eiseres grotendeels in het ongelijk is gesteld.