AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking en weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen besluiten van de korpschef van politie die de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten hebben ingetrokken of geweigerd. Deze besluiten zijn genomen nadat verzoeker betrokken was bij een incident in een horecagelegenheid waarbij hij als beveiliger excessief geweld zou hebben gebruikt.
De korpschef baseerde zijn besluiten op processen-verbaal en camerabeelden en oordeelde dat het gedrag van verzoeker onprofessioneel en escalerend was, wat niet verenigbaar is met de kernwaarden van het beveiligersberoep. Verzoeker stelde dat hij zonder toestemming geen inkomen kan genereren en daardoor mogelijk failliet zal gaan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende is voor een voorlopige voorziening en dat verzoeker geen aannemelijke financiële noodsituatie had aangetoond. Ook is meegewogen dat de korpschef uiterlijk medio september een beslissing op bezwaar zal nemen, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.
De voorzieningenrechter gaf aan dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar opnieuw moet beoordelen of de kwalificatie van het handelen van verzoeker juist is en of de besluiten evenredig zijn. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en de besluiten blijven van kracht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3027 en ZWO 24/3028
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] verzoeker,
(gemachtigde: mr. D.P. Kant),
en
de korpschef van politie, de korpschef ,
(gemachtigden: mr. M.J.R.M. Pompen en mr. S.A.J. Wezendonk).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de besluiten van de korpschef van 7 mei 2024 en 15 mei 2024.
Verzoeker heeft tegen deze besluiten op 8 juni 2024 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter op 9 juli 2024 verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 22 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via Teams), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De besluiten
2. De verzoeken om een voorlopige voorziening zijn gericht tegen de volgende besluiten:
De intrekking van de toestemming om voor [bedrijf 1] B.V. (beveiligings)werkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) – (besluit van 7 mei 2024);
De intrekking van de toestemming om voor [bedrijf 2](beveiligings)werkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr – (besluit van 7 mei 2024);
De weigering van de toestemming om voor [bedrijf 3] B.V.(beveiligings)werkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr – (besluit van 7 mei 2024);
De weigering van de toestemming om voor [bedrijf 4] B.V.(beveiligings)werkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr – (besluit van 15 mei 2024);
2.1.
De korpschef baseert zijn besluiten op processen-verbaal en camerabeelden waarin is vastgelegd dat er een incident heeft plaatsgevonden in een horecagelegenheid op 12 november 2023 waarbij verzoeker betrokken is geweest. Daaruit volgt dat omstreeks 02.19 uur een opstootje heeft plaatsgevonden in de rookruimte, waarin verzoeker zich als beveiliger heeft gemengd en – kort samengevat – het slachtoffer met een gebalde vuist heeft geslagen.
2.2.
De korpschef heeft geconcludeerd dat het gedrag van verzoeker excessief, onprofessioneel en escalerend is geweest en haaks staat op de kernwaarden waaraan een beveiliger bij zijn beroepsuitoefening dient te voldoen. Dit maakt verzoeker volgens de korpschef niet langer betrouwbaar om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak hoog te houden. Daarom heeft de korpschef besloten de toestemming in te trekken dan wel te weigeren op grond van artikel 7, vierde dan wel vijfde lid, van de Wpbr in samenhang met paragraaf 3.3., onder b (Ad b) van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Bpbr).
Relevante wet- en regelgeving
3. De relevante bepalingen van de Wpbr en de Bpbr zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter dient daarom eerst de vraag te beantwoorden of verzoeker spoedeisend belang heeft bij de schorsing van het bestreden besluit. Concreet betekent dit dat van verzoeker niet gevergd kan worden dat hij de beslissing op het bezwaarschrift afwacht.
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang erin is gelegen dat verzoeker zonder inkomsten zal zitten en dit mogelijk kan leiden tot een faillissement.
7. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling [1] vormt een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan anders zijn, indien aannemelijk is dat verzoeker zal komen te verkeren in een financiële noodsituatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake zal zijn. Hoewel de voorzieningenrechter wil aannemen dat verzoeker door de bestreden besluiten geen inkomen (meer) kan genereren, is niet gebleken dat dit leidt tot een financiële noodsituatie. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De voorzieningenrechter neemt daarnaast ook in aanmerking dat de korpschef op de zitting heeft aangegeven dat hij uiterlijk medio september de beslissingen op bezwaar verwacht. De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang dat rechtvaardigt dat in afwachting van de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening wordt getroffen.
9. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding het volgende nog te overwegen.
10. De korpschef heeft geconcludeerd dat het gedrag van verzoeker excessief, onprofessioneel en escalerend is geweest en haaks staat op de kernwaarden waaraan een beveiliger bij zijn beroepsuitoefening dient te voldoen. Verzoeker heeft naar de mening van de korpschef disproportioneel geweld gebruikt. Op grond van artikel 7, vierde dan wel vijfde lid, van de Wpbr in samenhang met paragraaf 3.3., onder b (Ad b) van de Bpbr heeft de korpschef daarom besloten de toestemming te weigeren dan wel in te trekken.
Daarbij geldt voor artikel 7, vijfde lid van de Wpbr dat de intrekking van een toestemming een bevoegdheid is van de korpschef wat onder meer betekent dat het gebruik maken daarvan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig moet zijn (het evenredigheidsbeginsel).
11. Verzoeker heeft op de zitting een toelichting gegeven op wat er precies bij het incident is gebeurd en onder meer verteld dat het slachtoffer bekend staat als iemand die vaker agressie heeft getoond in horecagelegenheden in de omgeving en MMA-vechter is. Ook heeft verzoeker erop gewezen dat hij al ruim 12 jaar als beveiliger werkt en er niet eerder (soortgelijke) incidenten hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat de beslissingen van de korpschef voor hem ingrijpend zijn, omdat het gevolg daarvan is dat hij mogelijk langere tijd niet als beveiliger kan werken.
12. Mede nu uit de bestreden besluiten niet blijkt hoe de korpschef heeft getoetst aan de evenredigheid, en of en hoe de korpschef heeft gewogen of een weigering en intrekking van de toestemming gelet op alle omstandigheden de juiste reactie is, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de rede dat de korpschef bij de beslissingen op bezwaar opnieuw beoordeelt of de gebruikte kwalificatie van handelen van verzoeker juist is en of de bestreden besluiten evenredig zijn. De voorzieningenrechter wijst in dit kader ook op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:564) en 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1794).
13. Tot slot wijst de voorzieningenrechter er nog op dat de korpschef naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening de camerabeelden en de processen-verbaal heeft overgelegd. Daarmee is aan de formele bezwaren grotendeels tegemoetgekomen.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de besluiten van 7 mei 2024 en 15 mei 2024 niet zullen worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
BIJLAGE
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 7
1. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
[…]
4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019
3.3.
Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
1)binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,
2)binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd
[…]
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.
[…]
Voetnoten
1.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.