ECLI:NL:RBOVE:2024:4036

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 juli 2024
Publicatiedatum
29 juli 2024
Zaaknummer
82.192555.22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 21b MeststoffenwetArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot betaling ontneming wederrechtelijk verkregen fosfaatvoordeel 2018

De rechtbank Overijssel heeft op 29 juli 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor het opzettelijk produceren van fosfaat in 2018 zonder dat er fosfaatrechten op zijn bedrijf rustten. Hierdoor heeft hij kosten bespaard die hij had moeten maken om fosfaatrechten te leasen of te kopen.

De officier van justitie vorderde de vaststelling en betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat werd berekend op basis van de hoeveelheid geproduceerde fosfaat (1.957,67 kg) en de leaseprijs per kilogram (€ 39,50), plus leges voor het melden van transacties. Dit leidde tot een totaal van € 77.427,96.

De veroordeelde gaf aan niet over financiële middelen te beschikken om dit bedrag terug te betalen en verwacht faillissement. De rechtbank oordeelde echter dat draagkracht pas in de executiefase aan de orde komt, tenzij zonder twijfel vaststaat dat er geen draagkracht is en dit in de toekomst ook zo blijft. Dit was hier niet het geval.

De rechtbank legde daarom de verplichting op tot betaling van het volledige bedrag van € 77.427,96 aan de Staat en stelde tevens de duur van de gijzeling vast op 1080 dagen als dwangmiddel bij niet-betaling. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van € 77.427,96 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 82.192555.22
Datum vonnis: 29 juli 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 77.427,96.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 15 juli 2024. De veroordeelde is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 29 juli 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van het met deze vordering samenhangende strafdossier.
De veroordeelde is veroordeeld voor het produceren van fosfaat in het jaar 2018, terwijl er in dat jaar geen fosfaatrechten op zijn bedrijf rustten. De veroordeelde had ervoor moeten zorgdragen dat zijn fosfaatproductie overeenkwam met de aan hem toegekende hoeveelheid fosfaatrechten, door fosfaatrechten te leasen of te kopen. Door dat na te laten heeft de veroordeelde kosten bespaard.
In 2018 heeft de veroordeelde 1.957,67 kg fosfaat geproduceerd. De leaseprijs per kilogram fosfaat bedroeg in 2018 € 39,50. [1] Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde € 77.327,96 hebben gekost.
In het geval een landbouwer extra fosfaatrechten verwerft, moet dit gemeld worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hiervoor moet per transactie € 100,-- aan leges worden betaald. [2]
Door na te laten fosfaatrechten te verwerven, heeft de veroordeelde de volgende kosten bespaard:
Leasekosten € 77.327,96
Leges € 100,--
Totaal 2018 € 77.427,96
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
€ 77.427,96.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De veroordeelde heeft verklaard dat hij geen financiële middelen heeft waarmee hij het wederrechtelijk verkregen voordeel kan terugbetalen. Hij verwacht failliet te gaan als de ontnemingsvordering wordt toegewezen.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemings-procedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingsituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van de veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 77.427,96.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. M.S. de Waard en
mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2024.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Nota leaseprijzen fosfaatrechten 2018 (bijlage 12 bij het dossier van de NVWA met nummer 159943/123637/6009482/3, p. 7, paragraaf 3.3).
2.Het dossier van de NVWA met nummer 173738/138073/6009482/3, p. 12, zevende alinea.