Eiser heeft administratiewerkzaamheden verricht voor gedaagde en stuurde daarvoor een factuur van € 743,05. Gedaagde betaalde niet en stelde dat zij slechts opdracht had gegeven voor één post op de factuur, namelijk de jaarafsluiting 2021 ter waarde van € 365,00. Gedaagde wilde alleen deze post betalen en stelde betaling uit tot eiser een aangepaste factuur zou sturen.
De kantonrechter stelt vast dat partijen het eens zijn over het bestaan van een mondelinge opdracht, maar verschillen van mening over de omvang daarvan. Gedaagde heeft aannemelijk gemaakt dat de BTW-aangifte niet tot het pakket behoorde en dat zij alleen de jaarafsluiting 2021 had besteld. Eiser is niet verschenen om dit te betwisten, waardoor de kantonrechter het verweer van gedaagde volgt.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde het bedrag van € 365,00 moet betalen en dat zij deze betaling niet mocht opschorten vanwege het ontbreken van een creditfactuur. Daarnaast is gedaagde vanaf 3 mei 2023 wettelijke handelsrente verschuldigd. De buitengerechtelijke incassokosten worden deels toegewezen, namelijk € 54,75, omdat deze gerelateerd zijn aan het toegewezen bedrag. De BTW over de incassokosten wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.