ECLI:NL:RBOVE:2024:4498

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
08.266755-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak verdachte

De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel van €93.044,39, later gewijzigd tot €37.217,75, tegen de verdachte. Deze vordering werd behandeld samen met de strafzaak.

Tijdens de terechtzitting op 6 augustus 2024 heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak in de strafzaak. De rechtbank heeft de strafzaak op 20 augustus 2024 behandeld en de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Omdat de verdachte is vrijgesproken, ontbreekt de wettelijke grondslag voor de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr. De rechtbank verklaart daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens vrijspraak van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.266755-23
Datum vonnis: 20 augustus 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.De schriftelijke vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 93.044,39.

2.De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke ontnemingsvordering samenhangende strafdossier. De vordering is vervolgens gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte, op 6 augustus 2024, aan de orde gesteld. Verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. S.F.J. Smeets, advocaat in Amsterdam, is op deze terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de betrokkenheid die verdachte volgens haar bij de ten laste gelegde feiten heeft gehad, op de terechtzitting van 6 augustus 2024 de vordering gewijzigd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat vaststelt op € 93.044,39 en verdachte de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van
€ 37.217,75.
De raadsman heeft zich – zo begrijpt de rechtbank – op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.De beoordeling van de vordering

Artikel 36e, eerste lid, Sr houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte is bij vonnis van deze rechtbank van 20 augustus 2024 in de strafzaak vrijgesproken van de aan haar ten laste gelegde feiten, zodat de grondslag aan de ontnemingsvordering is komen te vervallen. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de ontnemingsvordering.

4.De beslissing

De rechtbank verklaart het
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijkin de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.