ECLI:NL:RBOVE:2024:4501

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
08.266756-23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 onder B OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot betaling wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

De rechtbank Overijssel heeft op 20 augustus 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarbij veroordeelde werd veroordeeld voor het opzettelijk beroeps- of bedrijfsmatig telen van een grote hoeveelheid hennepplanten (778 stuks) in een hennepkwekerij te [plaats].

Naast de strafoplegging heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Sr. De rechtbank heeft op basis van wettige bewijsmiddelen, waaronder een rapport van 25 augustus 2023, vastgesteld dat veroordeelde met de hennepkwekerij een wederrechtelijk voordeel van €93.044,39 heeft genoten. Dit bedrag is gebaseerd op een volledige kweekperiode van negen weken, inclusief een eerdere oogst, aangetoond door een piek in het stroomverbruik van het bedrijfspand.

De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk gewijzigd en veroordeelde tot betaling van het volledige bedrag van €93.044,39 aan de Staat. De rechtbank achtte het aannemelijk dat veroordeelde als pleger betrokken was bij de kwekerij en zag geen reden tot matiging van het bedrag. De betalingsverplichting is opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e Sr.

De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken te Zwolle en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €93.044,39 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.266756-23
Datum vonnis: 20 augustus 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.De schriftelijke vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 93.044,39.

2.De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke ontnemingsvordering samenhangende strafdossier. De vordering is vervolgens gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde, op 6 augustus 2024, aan de orde gesteld. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat in Veenendaal, is op deze terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de betrokkenheid die verdachte volgens haar bij ten laste gelegde feiten heeft gehad, op de terechtzitting van 6 augustus 2024 de vordering gewijzigd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat vaststelt op € 93.044,39 en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 18.608,878.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering, gelet op de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak, moet worden afgewezen.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 20 augustus 2024 veroordeeld voor het strafbare feit: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat bewezen is verklaard in dit vonnis, namelijk dat veroordeelde op 10 juli 2023 in [plaats] opzettelijk beroeps- of bedrijfsmatig een grote hoeveelheid hennepplanten (778) heeft geteeld en aanwezig gehad.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht het op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, de bewijsmiddelen zoals omschreven in voornoemd vonnis en het opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 augustus 2023, [1] aannemelijk dat veroordeelde met het exploiteren van een hennepkwekerij een bedrag van
€ 93.044,39 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en ontleent aan de inhoud van deze bewijsmiddelen ook de schatting van dat voordeel.
De rechtbank stelt vast dat de periode die ten grondslag ligt aan het hierna geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, ruimer is dan de door de rechtbank bij vonnis bewezen verklaarde pleegdatum van het door veroordeelde gepleegde strafbare feit. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van artikel 36e, derde lid, Sr naast bewezen verklaarde feiten ook andere strafbare feiten als grondslag kunnen dienen voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien het aannemelijk is dat deze op enige wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot het oordeel dat van die situatie hier sprake is. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat in een periode van negen weken voorafgaand aan de ontmanteling van de hennepkwekerij, van 5 april 2023 tot en met 10 juli 2023, een piekbelasting in het stroomgebruik van het bedrijfspand aan de [adres 2] is gemeten. Dit toont naar het oordeel van de rechtbank aan dat er een volledige kweekperiode is geweest, nu in de hennepkwekerij gebruik werd gemaakt van CO2-toevoeging en dit maakt dat een gemiddelde kweekcyclus per oogst acht weken bedraagt. Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel gaat er daarom van uit dat er in de maanden voorafgaand aan de ontmanteling van de hennepkwekerij één eerdere oogst is geweest. De hennepkwekerij had twee kweekruimten, met in totaal 778 hennepplanten. Een eerdere oogst met dit aantal hennepplanten leidt volgens de standaardberekeningen in dit soort strafzaken tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 93.044,39. De rechtbank neemt deze conclusie over.
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het geschatte wederrechtelijke verkregen voordeel vast op € 93.044,39.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 93.044,39. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen, nu uit het strafvonnis volgt dat verdachte als pleger betrokken is geweest bij het exploiteren van de hennepkwekerij en het de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat ook een ander bij deze kwekerij betrokken is geweest.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door veroordeelde
  • legt veroordeelde de verplichting op tot
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.

Voetnoten

1.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr van 25 augustus 2023, met proces-verbaalnummer PL0600-2023268466-1.