Eiser vroeg in 2021 een verklaring van geschiktheid aan om zijn rijbewijs terug te krijgen, nadat dit in 2017 ongeldig was verklaard wegens het niet meewerken aan een educatieve maatregel. Verweerder weigerde de verklaring omdat eiser niet volledig meewerkte aan de medische beoordeling, onder meer door het niet aanleveren van gevraagde informatie van zijn GGZ-behandelaar.
Eiser betwistte de weigering en voerde onder meer onzorgvuldige voorbereiding, ongeschiktheid en partijdigheid van de keurend arts, schending van het vertrouwensbeginsel en onevenredigheid aan. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende inspanningen had verricht, de artsen deskundig en onafhankelijk waren, en dat eiser zelf niet aan het verzoek tot aanvullende informatie had voldaan.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde het bestreden besluit. Daarnaast kende de rechtbank eiser een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, omdat de procedure langer duurde dan de toegestane termijn volgens het EVRM.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend aan eiser omdat hij niet in het gelijk werd gesteld.