ECLI:NL:RBOVE:2024:4678

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 september 2024
Publicatiedatum
4 september 2024
Zaaknummer
ak_23_2305
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet WIAArt. 629 Boek 7 BWArt. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterechte loonsanctie opgelegd wegens onjuiste werkgever in re-integratiezaak

Het UWV legde aan Payroll Select Retail Services B.V. een loonsanctie op wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van een (ex-)werknemer. De werknemer was sinds 1 januari 2021 in dienst van een zustermaatschappij binnen hetzelfde uitzendconcern, Payroll Select Payroll B.V. (PSP), die ook verantwoordelijk was voor de re-integratie.

De rechtbank oordeelt dat PSP de in artikel 25 Wet Pro WIA bedoelde werkgever was en dat de loonsanctie onterecht aan eiseres is opgelegd. Hoewel er administratieve en organisatorische verwarring was, is de juridische scheiding tussen de bedrijven voldoende om de loonsanctie aan PSP toe te wijzen.

Het UWV had adequater moeten onderzoeken wie de juiste werkgever was, zeker omdat PSP als werkgever werd genoemd in de WIA-aanvraag en het bezwaar. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de loonsanctie komt te vervallen.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan eiseres, berekend conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter A.T. de Kwaasteniet en griffier W. Veldman op 4 september 2024.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de loonsanctie en herroept het besluit omdat eiseres niet de juiste werkgever was.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/2305

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Payroll Select Retail Services B.V., uit Deventer, eiseres,

gemachtigde: mr. P.H. Burger,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: N. Schoonhoven-Zuidema.

Inleiding

1.1
Bij besluit van 21 juli 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiseres een loonsanctie opgelegd tot 14 augustus 2023, omdat zij niet heeft voldaan aan alle verplichtingen met betrekking tot de re-integratie van haar (ex-)werknemer de heer [naam 1] (werknemer).
1.2
Met het bestreden besluit van 5 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.3
Eiseres heeft beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: key accountmanager [naam 2],, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
1.5
Het beroep is op zitting gevoegd behandeld met het beroep met zaaknummer 23/2220 van Payroll Select Payroll B.V. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

Totstandkoming van het besluit

2. Werknemer is werkzaam geweest als verkoopmedewerker voor gemiddeld 32 uur per week. Op 17 augustus 2020 heeft hij zich ziek gemeld. Hij heeft het UWV verzocht hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. In het kader van die aanvraag is verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij de belastbaarheid van werknemer en de re-integratie inspanningen zijn beoordeeld. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.

Beoordeling door de rechtbank

3.1
Het UWV heeft eiseres op grond van artikel 25, negende lid van de Wet WIA de verplichting opgelegd om het loon van werknemer tot 14 augustus 2023 door te betalen (loonsanctie).
Het UWV is van mening dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever vanaf
17 augustus 2021 onvoldoende zijn geweest, zonder dat daarvoor een deugdelijke grond aanwezig was. Volgens artikel 25, negende lid, van de Wet WIA gaat het om verlenging van het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens de werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen.
3.2
Eiseres heeft onderbouwd gesteld dat werknemer op het moment dat hij zich ziek meldde op 17 augustus 2020 inderdaad bij haar in dienst was, maar dat werknemer vanaf
1 januari 2021 in dienst is getreden van Payroll Select Payroll B.V. (PSP). De overgang van werknemer naar PSP was nodig omdat werknemer was uitgeleend aan Vattenfall en hij geen aan de daar werkzame werknemers gelijkwaardig pensioen zou kunnen ontvangen als hij bij eiseres in dienst zou blijven. Alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, onder meer ter zake van re-integratie, loonbetaling en premieheffing zijn overgedragen aan PSP.
3.3
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiseres en PSP deel uitmaken van hetzelfde uitzendconcern, met Payroll Select Nederland B.V. als moederbedrijf en enig aandeelhouder. Alle bedrijven bevinden zich op hetzelfde adres en maken gebruik van dezelfde Arbodienst. Ook onder meer de administratieve en
HRM-functies zijn georganiseerd binnen dezelfde (staf)organisatie. Uit de gedingstukken blijkt dat ook tijdens de periode na de overgang van de werknemer naar PSP, eiseres soms nog werd genoemd in de documentatie rond de re-integratie, bijvoorbeeld in de verwijzing in november 2021 naar Ergatis. Wel blijkt ook dat de zogenoemde 42-weken melding en de WIA-aanvraag zijn gedaan op naam van PSP.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat PSP de in artikel 25 van Pro de Wet WIA bedoelde werkgever was en dat de loonsanctie aan die werkgever had moeten worden opgelegd en niet aan eiseres.
3.5
Vraag is of dit ertoe moet leiden dat de loonsanctie geen stand kan houden, nu het gaat om hetzelfde concern en de bedrijven gevestigd zijn in hetzelfde gebouw en gebruik maken van dezelfde ondersteunende diensten.
3.6
Eiseres heeft voldoende onderbouwd dat de administratieve en arbeidsrechtelijke scheiding van de beide bedrijven ertoe leidt dat het in juridische zin te ingrijpend zou zijn om er van uit te gaan dat de loonsanctie jegens eiseres in stand kan blijven, dan wel geacht moet worden te zijn opgelegd aan PSP.
3.7
Dat er sprake kon zijn en ook sprake was bij het UWV van verwarring omtrent de juiste werkgever is duidelijk en dat ook eiseres hiervoor enige blaam treft is juist. Het UWV had echter ook adequater kunnen reageren, nu onder meer de WIA-aanvraag duidelijk was ingediend met vermelding van PSP als werkgever en eiseres bovendien in bezwaar heeft aangevoerd dat PSP de juiste werkgever is. Daarbij merkt de rechtbank op dat het UWV een onderzoeksplicht heeft ten aanzien van de als werkgever aan te schrijven rechtspersoon, aangezien sprake is van een belastend besluit.
3.8
De stelling van het UWV dat uit de polisadministratie niet blijkt dat werknemer bij eiseres is afgemeld en dus onduidelijk is wat de juiste werkgever was leidt niet tot een andere conclusie, nu uit de bijlagen bij het verweerschrift niet kan worden afgeleid wat de situatie was in de voor dit geschil relevante periode. Het gaat om afschriften uit voorgaande jaren.
3.9
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat ten onrechte aan eiseres een loonsanctie is opgelegd, omdat eiseres niet de in artikel 25 van Pro de Wet WIA bedoelde werkgever was van de werknemer.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het primaire besluit van 21 juli 2022 wordt herroepen. Dit betekent dat de loonsanctie vervalt.
5. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 624,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.374,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 oktober 2023;
- herroept het primaire besluit van 21 juli 2022;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 5 oktober 2023;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.374,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.