Verzoeker heeft voor zijn zoon een aanvraag voor aangepast leerlingenvervoer ingediend naar een specifieke school (locatie 1), gericht op kinderen met autisme, maar het college wees deze af omdat de dichtstbijzijnde toegankelijke school (locatie 2) anders is. Verzoeker betoogde dat locatie 2 te druk is voor zijn zoon met een autismespectrumstoornis en dat locatie 1 beter aansluit bij zijn behoeften.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht heeft vastgesteld dat locatie 2 de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, omdat deze dezelfde onderwijssoort biedt, kleinere groepen heeft en er geen bewijs is dat locatie 2 niet aan de specifieke behoeften van de zoon kan voldoen. De door verzoeker overgelegde adviezen en brieven boden onvoldoende onderbouwing dat locatie 2 ongeschikt is.
Ook werd meegenomen dat het vervoer naar locatie 1 niet goedkoper is voor de gemeente en dat het feit dat er al een bus rijdt niet betekent dat de zoon gratis mee kan reizen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukte dat dit oordeel voorlopig is en niet bindend voor een bodemprocedure.