Eiseres, voormalig zorgbegeleider, kreeg op grond van de Wet WIA een vervolguitkering toegekend door het UWV, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Na bezwaar en beroep stelde eiseres dat haar beperkingen, met name in concentratie en aandacht, onvoldoende waren erkend.
De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen beperkingen zijn aangenomen voor het vasthouden en verdelen van de aandacht. Het rapport van de psychiater ondersteunt juist het bestaan van significante beperkingen in deze functies.
Daarbij is ook de motivering van de arbeidsdeskundige over de passendheid van de functies onvoldoende, vooral gezien de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van de proceskosten en de kosten van de door eiseres ingeschakelde deskundigen, waarbij de tarieven zijn gemaximeerd conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.