Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding met producties van 16 april 2024;
- de conclusie van antwoord met producties van 18 mei 2024;
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een vordering van eiser tegen gedaagde, een deurwaarder, wegens het leggen van beslag op de voertuigen van eiser. Eiser stelt dat dit onrechtmatig was en vordert een schadevergoeding van €3.400. De procedure omvatte een mondelinge behandeling en schriftelijke stukken.
De feiten zijn dat eiser boetes van het CJIB niet betaalde, waarna dwangbevelen werden uitgevaardigd en betekend door gedaagde. Na uitblijven van betaling legde gedaagde beslag op de voertuigen. Eiser betwist de rechtmatigheid van de dwangbevelen en de bevoegdheid van gedaagde.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde als beëdigd deurwaarder bevoegd en verplicht was de dwangbevelen uit te voeren en dat geen persoonlijke machtiging vereist is. De dwangbevelen voldeden aan de wettelijke eisen. Eiser heeft onvoldoende schade aangetoond, mede omdat de factuur van haar gemachtigde nog niet betaald is en onduidelijk is of een betalingsverplichting bestaat.
Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een regeling voor nakosten bij niet-naleving.
Uitkomst: Vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.