In deze civiele verzetzaak stond de vraag centraal of [partij B] als bestuurder aansprakelijk kon worden gehouden voor het tekort in het faillissement van [partij A] B.V. De rechtbank stelde [partij B] in de gelegenheid tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat hij van 28 november 2018 tot en met 26 februari 2019 bestuurder was.
Na het horen van getuigen en het beoordelen van schriftelijk bewijs oordeelde de rechtbank dat [partij B] geslaagd was in het leveren van tegenbewijs. Zijn verklaring over het niet uitvoeren van de overname, het ontbreken van bestuurshandelingen en de terugwerkende uitschrijving bij de Kamer van Koophandel werd ondersteund door verklaringen van getuigen en documenten.
De curator kon onvoldoende tegenbewijs leveren om het bestuurderschap aan te tonen. Ook de door de curator aangevoerde handelingen en e-mails waren onvoldoende om bestuurderschap of betrokkenheid aan te tonen. Daarom werd het verstekvonnis vernietigd en de vordering van de curator afgewezen.
De curator werd veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op €3.142,10. Het vonnis werd gewezen door J.N. Bartels en op 25 september 2024 uitgesproken.