ECLI:NL:RBOVE:2024:5154

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
7 oktober 2024
Zaaknummer
10955136 \ CV EXPL 24-747
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 7:61 BWArt. 4:34 Wft
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering consumentenkrediet wegens niet-naleving informatieplicht en geen vervroegde opeising

In deze civiele procedure vordert Stadsbank Oost Nederland betaling van een consumentenkrediet. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de toepasselijkheid van titel 2A van boek 7 BW, de naleving van de informatieplicht uit artikel 7:60 en Pro 7:61 BW, en de kredietwaardigheidstoets volgens artikel 4:34 Wft Pro.

Stadsbank heeft aangetoond te hebben voldaan aan artikel 7:60 BW Pro en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 Wft Pro. Echter, de kantonrechter oordeelt dat niet alle wettelijk verplichte informatie conform artikel 7:61 BW Pro in de kredietovereenkomst is opgenomen. Het enkel vermelden in het ESIC-formulier is onvoldoende, waardoor sprake is van een schending van deze informatieplicht.

Daarnaast blijkt uit de overgelegde correspondentie niet dat het krediet vervroegd is opgeëist, aangezien de ingebrekestellingen niet voldoen aan de wettelijke eisen en niet duidelijk maken dat vervroegde opeising heeft plaatsgevonden. Hierdoor loopt de kredietovereenkomst nog door en is de grondslag van de vordering komen te vervallen. De vordering wordt daarom afgewezen en Stadsbank wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van Stadsbank wordt afgewezen wegens niet-naleving van de informatieplicht en het ontbreken van vervroegde opeising.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 10955136 \ CV EXPL 24-747
Vonnis van 25 juni 2024
in de zaak van
het openbaar lichaam
STADSBANK OOST NEDERLAND,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Stadsbank,
gemachtigde: M. Steghuis,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen, tegen [gedaagde] is verstek verleend.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2024
- de akte na tussenvonnis van Stadsbank.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.
2.2.
Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter Stadsbank in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of er sprake is van consumentenkrediet in de zin van titel 2A van boek 7 BW. Verder is zij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan de wettelijke informatieplichten van artikel 7:60, 7:61 BW en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 Wft Pro. Tot slot is zij in de gelegenheid gesteld om de ingebrekestelling en opeisingsbrief te overleggen, waaruit blijkt dat het krediet vervroegd is opgeëist.
2.3.
Stadsbank heeft het ESIC-formulier overgelegd waaruit blijkt dat zij heeft voldaan aan artikel 7:60 BW Pro. Ook heeft zij correspondentie overgelegd waaruit blijkt welke stukken zijn opgevraagd bij [gedaagde] ten einde de kredietwaardigheid van [gedaagde] te toetsen. Hieruit blijkt dat Stadsbank heeft voldaan aan haar kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 Wft Pro.
2.4.
Ten aanzien van de informatieplicht van artikel 7:61 BW Pro overweegt de kantonrechter als volgt. Niet is gebleken dat alle wettelijk verplichte informatie is opgenomen in de kredietovereenkomst zelf. Alle in het tweede lid genoemde informatie moet in de overeenkomst worden opgenomen en het enkel opnemen van deze informatie in het ESIC-formulier is hiervoor niet voldoende. De kantonrechter is van oordeel dat Stadsbank deze plicht heeft geschonden. Zij zal de sanctionering hierop echter in dit geval achterwege laten. Zoals hierna zal worden overwogen blijkt namelijk dat de overeenkomst nog doorloopt en [gedaagde] dus nog steeds de maandelijkse termijnen moet voldoen en dus niet verplicht is om het krediet ineens terug te betalen.
2.5.
De door Stadsbank overgelegde aanmaningen voldoen namelijk niet aan de verplichte ingebrekestelling in de zin van de wet. In deze brieven wordt namelijk met geen woord gerept over de consequentie van het te laat betalen, namelijk de vervroegde opeising. Ook blijkt uit de overgelegde brieven niet dat aan [gedaagde] is gecommuniceerd dat het krediet vervroegd is opgeëist. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vervroegde opeising niet heeft plaatsgevonden en de kredietovereenkomst daarom nog doorloopt. Dat betekent dat de grondslag van de vordering wegvalt en de vordering daarom zal worden afgewezen.
2.6.
Stadsbank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt Stadsbank tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024. (SK)