Eiser heeft in opdracht van BvS ramen geplaatst bij een klant van BvS. De kern van het geschil betreft de vraag welke afspraken partijen hebben gemaakt en of BvS gehouden is de volledige factuur te betalen. Eiser heeft voldoende bewijs geleverd dat de gefactureerde bedragen voortkomen uit de afspraken tussen partijen, terwijl BvS dit onvoldoende heeft betwist.
BvS stelde dat een deel van de factuur onterecht was, met name het hardglazen draairaam en de omvang van de arbeidsuren. De kantonrechter oordeelde dat het draairaam onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, omdat het gelijktijdig met de andere ramen is besteld en geplaatst en communicatie met de eindklant via BvS verliep. Ook de arbeidsuren van 10,5 uur zijn voldoende onderbouwd aan de hand van een werkbon.
BvS voerde een beroep op opschorting van betaling aan vanwege een gebarsten ruit, maar kon niet aantonen dat zij een vordering op eiser had en dat het beroep gerechtvaardigd was. Dit verweer werd gepasseerd. BvS is daarom veroordeeld tot betaling van de volledige factuur, de wettelijke handelsrente vanaf de dagvaarding, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.