Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2024:5223

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
321286 KG RK 24-393
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2.13 lid 3 Procesreglement Bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens ontbreken rechterlijke toewijzing aan zaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter van zijn zaak, omdat hij meende dat de rechter partijdig was vanwege onduidelijkheid over uitstel en het niet reageren op zijn transportverzoek.

De wrakingskamer oordeelde dat ten tijde van het wrakingsverzoek nog geen rechter aan de zaak was verbonden, omdat de zaak zich nog in het administratieve planningsproces bevond. Hierdoor was het verzoek niet-ontvankelijk.

Daarnaast werd overwogen dat het uitstelverzoek een processuele beslissing betreft die doorgaans geen grond voor wraking vormt. Het transportverzoek was nog niet beoordeeld omdat er nog geen rechter was toegewezen.

De wrakingskamer stelde dat de indruk van partijdigheid objectief moet zijn en dat het persoonlijke gevoel van verzoeker onvoldoende is. Omdat er geen rechter was toegewezen, kon ook geen sprake zijn van vooringenomenheid.

Het verzoek werd daarom afgewezen zonder zitting, en er staat geen rechtsmiddel tegen deze beslissing open.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek omdat er nog geen rechter aan zijn zaak is verbonden.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: 321286 KG RK 24-393
Beslissing van 10 oktober 2024
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 4 oktober 2024 een brief geschreven aan de rechtbank, waarin hij de voorzitter in de zaak met zaaknummer ZWO23/2729 wraakt.
1.2.
Mr. A.P.W. Esmeijer heeft op het wrakingsverzoek gereageerd.

2.De feiten en de beoordeling

2.1.
Op 24 juli 2024 is een vooraankondigingsbrief gestuurd aan [verzoeker], waarin bekend is gemaakt op welke datum de rechtbank de zaak van [verzoeker] wil behandelen. Naar aanleiding van die brief heeft de verweerder, de tegenpartij van [verzoeker], gevraagd om een nieuwe datum vast te stellen. Dat verzoek is ingewilligd en [verzoeker] en de verweerder hebben daarover een brief ontvangen.
2.2.
[verzoeker] heeft vervolgens een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter in zijn zaak. [verzoeker] is het er niet mee eens dat het verzoek van verweerder om uitstel niet kenbaar is gemaakt is aan hem. Verder is er nog niet gereageerd op het verzoek van [verzoeker], die gedetineerd is, om transport zodat hij de zitting kan bijwonen. Volgens [verzoeker] zijn beide beslissingen zo onbegrijpelijk dat er sprake moet zijn van vooringenomenheid.
2.3.
Mr. Esmeijer heeft – samengevat – toegelicht dat er nog geen rechter is toebedeeld aan de zaak van [verzoeker]. De griffie heeft onverplicht een vooraankondiging gestuurd aan [verzoeker] waarin alvast de zittingsdatum werd genoemd. In die brief is opgenomen dat beide partijen binnen een week na verzending van de brief gemotiveerd om uitstel kunnen vragen indien zij verhinderd zijn om de zitting bij te wonen. De griffie beslist vervolgens zelfstandig of de zaak op een latere zitting wordt gepland. De wederpartij hoeft niet in te stemmen met het uitstelverzoek. Instemming van de wederpartij is ook niet vereist als de definitieve zittingsuitnodiging is verstuurd. Als er na de definitieve uitnodiging om uitstel wordt gevraagd, beslist de bestuursrechter. [1] Omdat er nu nog geen nieuwe zittingsdatum is en er dus ook geen rechter is verbonden aan de zaak van [verzoeker], is er nog niet gereageerd op het transportverzoek. Zodra er een zittingsdatum is vastgesteld, zal de rechter die de zaak van [verzoeker] gaat behandelen een beslissing nemen op het transportverzoek. [verzoeker] krijgt daarvan vanzelf bericht, aldus mr. Esmeijer.
2.4.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter die de zaak behandelt, partijdig is of dat hij die indruk bij de verzoeker, [verzoeker], heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van [verzoeker], maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van [verzoeker] op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
2.5.
In het geval van [verzoeker] is er nog geen rechter verbonden aan zijn zaak. De zaak bevond zich ten tijde van de wraking nog in het administratieve planningsproces. Dat betekent dat reeds daarom [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.
2.6.
De wrakingskamer overweegt nog ten overvloede dat de beslissing om uitstel is aan te merken als een processuele beslissing die in het algemeen geen grond oplevert voor wraking. Een verzoek tot wraking is immers niet bedoeld om onwelgevallige rechterlijke beslissingen ter discussie te stellen. Dat er verder nog niet is gereageerd op het transportverzoek is door mr. Esmeijer duidelijk toegelicht. Die beslissing moet nog worden genomen door de rechter die aan de zaak van [verzoeker] wordt gekoppeld. Uit de brief van mr. Esmeijer blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer genoegzaam dat [verzoeker] erop mag vertrouwen dat hij die beslissing zal ontvangen, zodra een rechter het verzoek heeft beoordeeld.
2.7.
Het voorgaande brengt mee dat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Omdat het horen van [verzoeker] naar het oordeel van de wrakingskamer niet kan bijdragen aan de beoordeling van het wrakingsverzoek, is afgezien van het houden van een zitting.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, B.W.M. Hendriks en J.H.M. Hesseling, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 2.13 lid 3 van het Procesreglement Bestuursrecht.