Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties van 16 augustus 2024,
- het e-mailbericht van 2 september 2024 met bijlage van mr. [naam 1] ,
Rechtbank Overijssel
Eiseres verhuurde twee busjes aan gedaagde en vorderde betaling van €1.407,88 wegens niet-betaalde huur en schade aan een van de busjes. Gedaagde voerde verweer dat zij onder bewind is gesteld sinds 26 oktober 2021 en dat eiseres de bewindvoerder had moeten dagvaarden. Het Centraal Curatele en Bewindsregister bevestigde het bewind en dat eiseres bekend had moeten zijn met het bewind, aangezien het correct raadplegen van het register dit had aangetoond.
De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 1:441 BW Pro de bewindvoerder de formele procespartij is bij geschillen over onder bewind staande goederen. Omdat eiseres het bewind kende of had moeten kennen, was zij niet-ontvankelijk in haar vordering. De vordering werd afgewezen en eiseres werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €306,00, exclusief betekeningskosten vanwege de toevoeging van gedaagde.
Dit vonnis onderstreept het belang van correcte procespartijen bij onder bewind gestelde goederen en de gevolgen van het niet raadplegen van het CCBR-register op juiste wijze.
Uitkomst: Eiseres is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens het onder bewind staan van gedaagde.