Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
werkzaamheden voor verdachte verrichte,
wasserij, en/of
(ernstige)bedreigingen, en/of
schop onder zijn kont te krijgen als hij niet luisterde, en/of
sturen naar Litouwen, als hij niet met verdachte mee ging, en/of
voorhanden heeft gehad;
3.De bewijsmotivering
Vanaf eind november 2020 bewoonde aangever de bovenverdieping van de woning die door verdachte van [getuige 1] gehuurd werd. Als “medehuurder” betaalde aangever aan verdachte hiervoor € 500,00 per maand. Voor dat bedrag at de aangever ook mee met het gezin van de verdachte en werd zijn was gedaan. Aangever heeft tot 28 februari 2021 gewerkt bij [getuige 1] en heeft in die periode in totaal € 7.615,58 aan salaris ontvangen, dat op zijn bankrekening werd overgemaakt. In de periode van 28 februari 2021 tot 19 april 2021 heeft aangever geen werk gehad, behalve wat incidentele klussen voor en op verzoek van [getuige 1] .
Nadat er op 19 juli 2021 door [getuige 1] melding was gedaan bij de politie over de verhouding tussen verdachte en aangever, heeft verdachte met zijn gezin de woning verlaten en is aangever terugverhuisd naar de caravan op het erf van [getuige 1] . Op 18 augustus 2021, een dag na het informatieve gesprek met aangever, heeft er een incident plaatsgevonden tussen verdachte en aangever op de werkplek. Aangever heeft verklaard dat verdachte heeft gedreigd hem met fiets en al van een brug te gooien. Aangever nam dat dreigement serieus en was daarvan volgens [getuige 1] en diens vrouw erg overstuur.
Bij beide werkgevers is sprake geweest van een in beginsel 36-urige werkweek, waarbij door aangever in overleg met hem is overgewerkt. Die uren zijn uitbetaald, met uitzondering van twee halve zaterdagen voor [getuige 1] omdat aangever zijn werk die week niet naar behoren zou hebben uitgevoerd. De loonbetalingen geschieden door beide werkgevers giraal en zijn verwerkt in de loonadministratie. Het overwerk bij [getuige 1] is contant betaald en niet in de administratie verwerkt. Uit het dossier kan worden afgeleid dat het overwerk vooral heeft bestaan uit enkele uren op zaterdagen. Het gemiddelde aantal uren dat aangever voor het uitzendbureau werkte was ruim 43 uur per week wat een overwerk van zeven uur per week inhoudt. Voor het overwerk bij [getuige 1] geldt qua omvang ongeveer hetzelfde, zo lijkt uit het dossier te kunnen worden afgeleid. In beide gevallen komt de arbeidsduur, inclusief het overwerk, de rechtbank niet op voorhand bovenmatig voor. Op grond van het dossier kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld of aangever deze (over)uren of extra werkzaamheden verrichte uit eigen wil, in opdracht van of onder dwang van verdachte of zijn werkgevers. De verklaringen van verschillende betrokkenen lopen op dit onderdeel uiteen. Ook de door aangever zelf afgelegde verklaringen zijn op dit onderdeel niet consistent en soms tegenstrijdig. Zo verklaart hij met betrekking tot de op zaterdag verrichte werkzaamheden in eerste instantie dat hij altijd op zaterdagen moest werken. In een later verhoor verklaart hij dat hij zelf kon en mocht bepalen of hij op zaterdag wilde werken, en dat hij juist veel wilde werken om meer te verdienen.
omdatverdachte deze gelden van hem afpakte. Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte maandelijks circa € 1.000,00 overmaakte van het salaris van de bankrekening van aangever naar de eigen bankrekening van verdachte. Daarvan was volgens de verdachte € 500,00 bedoeld als huur die aangever conform de afspraak aan verdachte verschuldigd was. Verdachte heeft verklaard dat hij daarnaast op verzoek van aangever allerlei goederen voor hem kocht, zoals alcohol en sigaretten. Hoe hoog deze uitgaven waren kan uit het dossier niet worden afgeleid. Niet valt uit te sluiten dat de overgeboekte gelden op die manier feitelijk, geheel of gedeeltelijk, ten goede zijn gekomen van aangever.
ongevraagdbedragen over te boeken van de bankrekening van aangever naar zijn, verdachtes, eigen bankrekening.
- het proces-verbaal van achtste verhoor van verdachte van het dossier SOUTH GREELEY met nummer 6640-2021-0110 van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 26 januari 2023 (V-001-08, pag. 148 en 150);
- het proces-verbaal van onderzoek wapen van verbalisant [verbalisant 1] van 3 oktober 2022, inclusief fotobijlage (pag. 3-5).
- het proces-verbaal van achtste verhoor van verdachte van het dossier SOUTH GREELEY met nummer 6640-2021-0110 van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 26 januari 2023 (V-001-08, pag. 148 en 150);
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 5 oktober 2022 (pag. 6-8).
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
diefstal, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De schade van benadeelde
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De voorlopige hechtenis
10.De beslissing
diefstal, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.608,40 (zegge: vijfduizend zeshonderdacht euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 63 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;