Partij B was sinds 2019 in dienst bij partij A, een uitzendonderneming, met een concurrentie- en relatiebeding in haar arbeidsovereenkomst. Na haar ontslag in maart 2024 trad zij in september 2024 in dienst bij bedrijf 1, eveneens een uitzendbureau en concurrent binnen 30 km van partij A.
Partij A vorderde in kort geding nakoming van het concurrentie- en relatiebeding en het geheimhoudingsbeding, met dwangsommen en een voorschot op boetes wegens overtreding. Partij B verzocht schorsing van het concurrentiebeding wegens onbillijke benadeling, onder meer omdat zij als alleenstaande moeder een positieverbetering nastreeft en het beding zeer ruim is geformuleerd.
De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding onbillijk is voor partij B en schorst dit, zodat zij bij bedrijf 1 mag werken. Het relatiebeding en geheimhoudingsbeding blijven gehandhaafd vanwege het zwaarwegend belang van partij A. De vordering tot voorschot op boetes werd afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De proceskosten worden gecompenseerd.