De veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van overtredingen van de Wet milieubeheer door het dumpen van drugsafval, waardoor hij kosten bespaarde die anders gemaakt hadden moeten worden voor de verwerking van dit afval.
De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk vastgesteld op €4.375,66. Na diverse procedures, waaronder een niet-ontvankelijkverklaring, hoger beroep en cassatie, werd de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling.
De rechtbank stelde het voordeel vast op €3.420,80 na aftrek van bepaalde kosten en matigde de betalingsverplichting tot €3.078,72 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. De rechtbank wees een gijzelingstermijn van 61 dagen toe voor het geval van niet-betaling.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 31 oktober 2024, waarbij de veroordeelde werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De wettelijke grondslag is artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.