Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2024:5668

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 oktober 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
C/08/322909 / KG ZA 24-214
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking aan LBV-overeenkomst voor subsidieverstrekking

Eiser vorderde dat gedaagden meewerken aan de totstandkoming van een LBV-overeenkomst met de Nederlandse Staat, een voorwaarde voor subsidieverstrekking op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting. De subsidie was toegekend aan het bedrijf van eiser, maar de overeenkomst moest uiterlijk 2 november 2024 worden ondertekend.

De voorzieningenrechter benadrukte het uitgangspunt van contractsvrijheid en stelde dat een zwaarwegend belang vereist is om daarvan af te wijken. Gedaagde 2 heeft gemotiveerd een gerechtvaardigd belang om niet mee te werken, omdat hij de mogelijkheid wil behouden om in de toekomst pluimveehouder te worden, wat het beroepsverbod in de overeenkomst zou verhinderen.

Verder werd meegewogen dat eiser niet transparant was over de subsidieaanvraag en te laat de beschikking deelde met gedaagden, waardoor spoed ontstond. Ook is het mogelijk een nieuwe subsidieaanvraag in te dienen tot 20 december 2024, waardoor eiser niet direct benadeeld wordt.

De voorzieningenrechter concludeerde dat van gedaagden niet kan worden verlangd dat zij nu meewerken aan de overeenkomst en wees de vordering af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser af en bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/322909 / KG ZA 24-214
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 28 oktober 2024
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats 1],
eisende partij,
advocaat: mr. K.H.P. Selcraig,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonend in [woonplaats 2],
2.
[gedaagde 2],
wonend in [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
advocaat: mr. A.G. Baan.
Eiser wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden worden aangeduid met [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Zwolle.
De zaak wordt behandeld door mr. C.H. de Haan, voorzieningenrechter, en mr. S.D. van Wijk als griffier.
Aanwezig zijn:
  • de heer [eiser], bijgestaan door mr. K.P.H. Selcraig,
  • mevrouw [gedaagde 1] en de heer [gedaagde 2], bijgestaan door mr. A.G. Baan.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
Met deze procedure wil [eiser] bewerkstelligen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] meewerken aan de totstandkoming van de LBV-overeenkomst met de Nederlandse Staat. Die overeenkomst is een voorwaarde voor de subsidieverstrekking op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting. De subsidie is op 2 mei 2024 toegekend aan [bedrijf] V.O.F. De LBV-overeenkomst moet uiterlijk 2 november 2024 ondertekend en teruggezonden worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
1.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat het partijen in beginsel vrij staat om te bepalen met wie zij een overeenkomst sluiten en wat de inhoud van die overeenkomst is (de contractsvrijheid). Met zijn vordering wenst [eiser] dat van die contractsvrijheid wordt afgeweken door [gedaagde 2] te vragen mee te werken aan een overeenkomst met de Nederlandse Staat. Het belang van [eiser] moet dan heel zwaarwegend zijn om [gedaagde 2] daartoe te kunnen bewegen. Aan de andere kant heeft [gedaagde 2] gemotiveerd aangegeven dat hij er gerechtvaardigd belang bij heeft om niet mee te werken aan de totstandkoming van de LBV-overeenkomst: [gedaagde 2] wil immers de mogelijkheid openhouden om in de toekomst pluimveehouder te worden en het beroepsverbod in de LBV-overeenkomst zou die wens verhinderen.
1.3.
[eiser] is niet van begin af aan transparant geweest over de subsidieaanvraag. Hij heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvan niet op de hoogte gesteld. [eiser] heeft de beschikking van de RVO in mei 2024 ontvangen, maar heeft die beschikking pas in september 2024 gedeeld met [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. [eiser] heeft te veel tijd laten verstrijken tussen de aanvraag en de mededeling daarvan aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en heeft daardoor aan zichzelf te wijten dat er spoed is ontstaan bij de ondertekening.
1.4.
Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat [eiser] de mogelijkheid heeft om een nieuwe subsidieaanvraag in te dienen. Aanvragen voor een subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting zijn mogelijk tot en met 20 december 2024. Als een hernieuwde subsidieaanvraag leidt tot een lagere subsidieverstrekking als gevolg van een lagere taxatiewaarde (wegens waardevermindering van de bedrijfsgebouwen), dan is ook dat het gevolg van de handelwijze van [eiser].
1.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet kan worden verlangd dat zij op dit moment moeten meewerken aan de totstandkoming van de LBV-overeenkomst. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.
1.6.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. C.H. de Haan en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Waarvan proces-verbaal,
de voorzieningenrechter