De rechtbank Overijssel behandelde op 25 september 2024 de vordering van de officier van justitie tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van witwassen. De officier van justitie stelde het voordeel vast op €6.384.150 en eiste een betalingsverplichting van €6.000.000.
De verdediging verzocht om getuigen te horen en betwistte dat een bedrag van €1.033.445 onderdeel was van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank wees het verzoek tot het horen van getuigen af wegens onvoldoende onderbouwing en oordeelde dat de vrijspraak in een andere strafzaak niet betekent dat de veroordeelde niet schuldig is aan witwassen van dat bedrag.
De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een kasopstelling, waarbij contante uitgaven en stortingen werden afgezet tegen legale contante middelen. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn werd de betalingsverplichting verminderd met €384.150 tot €6.000.000. De rechtbank legde de veroordeelde deze betalingsverplichting op en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen.