De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het tijdelijk opvangen van twaalf minderjarige asielzoekers in een pand te Hof van Twente. De vergunning was verleend met een instandhoudingstermijn van een jaar en betrof een strijdig gebruik met het bestemmingsplan. Eiser stelde dat ook voor de interne verbouwingen en uitbouw een vergunning vereist was, hetgeen het college had ontkend met een bestuurlijk rechtsoordeel.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht een omgevingsvergunning verleende voor het afwijkend gebruik, maar dat het standpunt dat voor de verbouwingen geen vergunning nodig was een bestuurlijk rechtsoordeel betrof dat geen besluit is in de zin van de Awb. Hierdoor was het bezwaar tegen dit rechtsoordeel niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het bezwaar tegen het bestuurlijk rechtsoordeel ongegrond was verklaard.
Verder overwoog de rechtbank dat het afwachten van een besluit omtrent handhaving niet onredelijk bezwarend was voor eiser. De rechtbank stelde vast dat het huisvesten van de statushouders niet onlosmakelijk verbonden was met de bouwactiviteiten die reeds waren verricht door de eigenaar. Ook was er geen sprake van een toename van het aantal woningen en was de vergunning niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A. Oosterveld en griffier A. Landstra op 12 november 2024.