Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
althans (een) lichamelijke ingreep/ingrepen heeft verricht en/of laten verrichten bij (een) vogel(s) die zijn binnengebracht bij het [verdachte] aan de [adres]” onvoldoende duidelijk is. Gelet op deze uiterst algemene omschrijving, afgezet tegen de duur van de ten laste gelegde pleegperiode en de in die periode grote hoeveelheid opgevangen vogels, kan niet van verdachte worden verwacht dat zij zich ten aanzien van de betreffende zinsnede op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de oproeping ten aanzien van feit 2, voor zover het betreft de hiervoor geciteerde zinsnede niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De oproeping zal ten aanzien van dit onderdeel dan ook ambtshalve nietig worden verklaard.
kanalisatiestatus UDD”.
door wiede ten laste gelegde handelingen zijn verricht. Ter zitting heeft [naam] verklaard dat er ingrepen zijn verricht door zowel medewerkers van [verdachte] als door dierenartsen waarmee de vogelopvang samenwerkt, maar dat hij niet weet door wie welke ingrepen zijn verricht. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken kan dan ook niet worden uitgesloten dat de ten laste gelegde handelingen door een dierenarts zijn verricht. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.