ECLI:NL:RBOVE:2024:6184

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 november 2024
Publicatiedatum
22 november 2024
Zaaknummer
ak_23_522
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:102 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen herstelbesluit UWV en geen vergoeding wettelijke rente of proceskosten

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het UWV-besluit van 17 november 2022 waarbij te veel betaalde WIA-voorschotten werden teruggevorderd. Na bezwaar handhaafde het UWV het besluit, waarna eiser beroep instelde. Tijdens de beroepsprocedure wijzigde het UWV het besluit op basis van nieuwe gegevens van de belastingdienst, waardoor eiser een bedrag aan te weinig betaalde uitkering kreeg.

Eiser handhaafde zijn beroep en vorderde vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. De rechtbank oordeelt dat het UWV geen wettelijke rente verschuldigd is omdat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de aanvankelijke onjuiste vaststelling van de uitkering. Ook is er geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en griffierecht, mede gelet op jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, en het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en bevestigt daarmee het herstelbesluit van het UWV.

Uitkomst: Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond, en verzoeken om wettelijke rente en proceskosten zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/522

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [eiser], eiser,

gemachtigde: mr. E.E.F.H.M. van Sark,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: E.H. van den Brink.

Inleiding

1.1
Bij besluit van 17 november 2022 heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 definitief vastgesteld. Bij dit besluit heeft het UWV van eiser een bedrag van in totaal € 16.440,78 bruto aan te veel betaalde voorschotten teruggevorderd.
1.2
Eiser heeft bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 2 februari 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 10 mei 2024 (herstelbesluit) heeft het UWV opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. Op basis van in de beroepsprocedure overgelegde gegevens van de belastingdienst heeft het UWV eisers inkomen over 2021 herberekend. Hieruit volgt dat het over 2021 betaalde voorschot lager is dan de WIA-uitkering waar eiser recht op had. Eiser heeft daarom nog een bedrag van in totaal € 2.716,56 bruto inclusief vakantietoeslag tegoed. Het UWV heeft het primaire besluit van 17 november 2022 in die zin gewijzigd.
1.4
Hiermee is het UWV tegemoet gekomen aan eisers aanvankelijke bezwaren. Desalniettemin stelt eiser thans dat aan hem ten onrechte geen wettelijke rente is toegekend. Eiser heeft zijn beroep dan ook gehandhaafd en de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot vergoeding van zijn schade in de vorm van wettelijke rente en tot vergoeding van de proceskosten. Het herstelbesluit van 10 mei 2024 dient om die reden op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure te worden betrokken.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Standpunten van partijen

2. Het UWV stelt zich op het standpunt dat aan eiser geen vergoeding van de proceskosten en van schade in de vorm van wettelijke rente toekomt. Het UWV heeft het nieuwe besluit op bezwaar genomen op basis van nieuw gebleken feiten. Pas in de beroepsprocedure heeft eiser gegevens overgelegd van de belastingdienst waaruit blijkt dat er een correctie is doorgevoerd, die maakt dat het UWV eisers inkomen over 2021 kan herberekenen. Het bestreden besluit van 2 februari 2023 was afgegeven op basis van de juiste toen bekend zijnde gegevens.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het UWV het griffierecht, de proceskosten en de wettelijke rente dient te vergoeden omdat het primaire besluit van 17 november 2022 en het bestreden besluit van 2 februari 2023 onrechtmatig zijn gebleken. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat in bezwaar al is aangegeven dat voor het jaar 2021 een gewijzigde aangifte is ingediend bij de belastingdienst.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV, gelet op het bepaalde in artikel 4:102, derde lid, van de Awb, geen wettelijke rente verschuldigd is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.1
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
4.2
Artikel 4:102 van Pro de Awb bevat bepalingen ten aanzien van de wettelijke rente en luidt als volgt:
1. Indien een betaling aan het bestuursorgaan is geschied op grond van een beschikking die in bezwaar of in beroep is gewijzigd of vernietigd, is het bestuursorgaan over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling wettelijke rente verschuldigd over het te veel betaalde bedrag.
2. Indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
3. Wettelijke rente is niet verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan de belanghebbende is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
4.3
Bij de definitieve vaststelling van de WIA-uitkering maakt het UWV gebruik gemaakt van gegevens van de belastingdienst bij de vaststelling van het inkomen. Alleen een belastingaangifte is onvoldoende om het inkomen vast te kunnen stellen. Hiervoor is de aanslag inkomstenbelasting van de belastingdienst bepalend. Voor het primaire besluit van 17 november 2022 heeft het UWV gebruik gemaakt van de gegevens van de belastingdienst, zoals die toen bekend waren. Pas in beroep heeft eiser bij de brief van 16 maart 2023 de navorderingsaanslag 2021 van 10 maart 2023 in geding gebracht, die voor het UWV aanleiding is geweest zijn besluit te wijzigen. In de brief van 16 maart 2023 heeft eiser daarbij vermeld dat aanvankelijk een fout is gemaakt bij het invullen van de aangifte inkomstenbelasting over 2021. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat aan eiser is toe te rekenen dat onjuiste gegevens zijn verstrekt, waardoor de WIA-uitkering aanvankelijk niet juist was vastgesteld. Het is immers het gevolg van het aanvankelijk onjuist invullen van de belastingaangifte, dat de aanvankelijke belastinggegevens op basis waarvan het primaire besluit was genomen, onjuist waren. In zoverre is het beroep gericht tegen het herstelbesluit ongegrond.
5. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtspraak van het CBb, waaruit kan worden afgeleid dat in geval een herstelbesluit het gevolg is van aanvankelijk door de belanghebbende onjuist aangeleverde gegevens, er geen aanleiding bestaat het bestuursorgaan in de proceskosten te veroordelen. [1]
6. Het beroep tegen het bestreden besluit moet niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het herstelbesluit ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan hetzij digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl hetzij door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 15 juni 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW8808.