AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen drugsdelicten
De rechtbank Overijssel behandelde de vordering van de officier van justitie tot vaststelling en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
Tijdens de openbare terechtzittingen van 17 mei en 12 november 2024 werd de vordering besproken. De verdediging voerde geen verweer tegen de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2023.
De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €50.700 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens bepaalde de rechtbank de duur van de gijzeling die kan worden gevorderd op maximaal 1014 dagen, conform artikel 6:6:25 vanPro het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €50.700 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.072678.23
Datum vonnis: 26 november 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats],
wonende aan het [woonplaats].
1.De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 50.700,-.
2.De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 17 mei 2024 en 12 november 2024. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Schuurman, advocaat in Breukelen, is op die terechtzittingen verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 12 november 2024 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.De beoordeling van de vordering
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 26 november 2024 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het proces-verbaal van bevindingen betreffende wederrechtelijk verkregen voordeel van 6 juli 2023.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in dit proces-verbaal in totaal gesteld op een bedrag van € 50.700,00.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de in het proces-verbaal beschreven berekening.
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen, waaronder voornoemd proces-verbaal, de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 50.700,-.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 50.700,-.
4.De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5.De beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 50.700,-;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 50.700,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 vanPro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1014 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.J.A.L. Beljaars en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024.