ECLI:NL:RBOVE:2024:6380

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
ak_24_2762
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door college over wijziging vergunningvoorschriften

Eisers hebben op 28 juni 2023 een verzoek ingediend bij het college van gedeputeerde staten van Groningen tot wijziging van de vergunningvoorschriften van de omgevingsvergunning van PreZero. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelden eisers het college op 24 januari 2024 in gebreke. Het college erkende de overschrijding van de beslistermijn en stelde vast dat een maximale dwangsom van €1.442,- was verbeurd.

Ondanks het nemen van een ontwerpbeschikking op 13 augustus 2024 en het indienen van een zienswijze door eisers op 9 september 2024, heeft het college nog geen definitief besluit genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eisers ontvankelijk en gegrond is vanwege het niet tijdig beslissen.

De rechtbank wijst het verzoek van eisers tot gedeeltelijke aanhouding van het beroep af, gelet op het ontbreken van concreet zicht op de besluitvorming. Wel stelt zij vast dat er sprake is van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn dan de standaard twee weken gerechtvaardigd is. De rechtbank legt een termijn van zes weken op waarbinnen het college een besluit moet nemen.

Daarnaast wordt het college veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000,-. De reeds verbeurde bestuurlijke dwangsom van €1.442,- wordt vastgesteld. Het college wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eisers.

Uitkomst: Het college wordt opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen en is veroordeeld tot betaling van dwangsommen en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2762

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers], uit [woonplaats], eisers

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen

(gemachtigde: J. Hiddinga en K. Wijnja).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: PreZero Recycling Services Noord B.V. (PreZero)
(gemachtigde: J.M.A.M. van Zon).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college.
1.1.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van PreZero.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eisers hebben op 28 juni 2023 bij het college een verzoek ingediend om wijziging van de vergunningvoorschriften van de omgevingsvergunning van 12 maart 2002 van PreZero.
3. Eisers hebben het college op 24 januari 2024 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op hun verzoek.
4. Het college heeft met het besluit van 21 maart 2024 erkend dat de beslistermijn is overschreden en heeft vastgesteld dat de maximale dwangsom van € 1.442,- is verbeurd.
5. Het college heeft op 13 augustus 2024 een ontwerpbeschikking genomen, inhoudende een weigering van het verzoek van eisers.
6. Eisers hebben op 9 september 2024 een zienswijze ingediend.
7. De rechtbank stelt vast dat het college nog niet heeft beslist op het verzoek van eisers. De rechtbank stelt verder vast dat eisers een geldige ingebrekestelling hebben verstuurd en langer dan twee weken daarna beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun verzoek. [1] Het beroep van eisers is daarom ontvankelijk en gegrond.
8. Eisers hebben de rechtbank ter zitting verzocht om de beslissing voor het overige aan te houden, vooruitlopend op een door het college te nemen besluit op hun verzoek, en te bepalen dat het beroep tegen de te nemen beslissing wordt behandeld op een door de rechtbank nader te bepalen tijdstip.
9. De rechtbank heeft, gelet op het lange tijdsverloop sinds het verzoek van 28 juni 2023, begrip voor het verzoek van eisers tot gedeeltelijke aanhouding. Zoals het college ter zitting ook heeft erkend, duurt de gehele procedure (te) lang. De rechtbank wijst het verzoek van eisers tot gedeeltelijke aanhouding van het beroep echter af, waarbij zij van belang acht dat nog geen concreet zicht is op het tijdstip, de inhoud en de vorm van het door het college nog te nemen besluit.
10. Het college heeft nog niet beslist op het verzoek van eisers en moet dit alsnog doen. Als het college niet op tijd heeft beslist, legt de rechtbank in beginsel een termijn van twee weken op. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen. [2] Ter zitting heeft het college toegelicht dat recent uit bestuurlijk overleg is gebleken dat de door PreZero aangevraagde revisievergunning niet verleend kan worden en dat dit ook gevolgen heeft voor de besluitvorming op het verzoek van eisers. Het college heeft daarbij vermeld dat er bestuurlijke overleggen tussen de provincie, gemeente en de omgevingsdienst plaatsvinden om de besluitvorming opnieuw tegen het licht te houden. Ook zal onderzoek naar het geluid, de hinder daarvan en eventueel te stellen geluidsnormen worden gedaan. De rechtbank ziet hierin aanleiding om te oordelen dat in dit geval sprake is van een bijzonder geval, wat een langere beslistermijn rechtvaardigt. De rechtbank moet immers een beslistermijn stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De rechtbank zal daarom beslissen dat het college een besluit moet nemen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat met deze termijn enerzijds recht wordt gedaan aan het belang van eisers dat het college zo spoedig mogelijk een besluit neemt op hun verzoek. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college (in ieder geval) de kwestie al sinds het verzoek van 28 juni 2023 in behandeling heeft. Anderzijds wordt met deze termijn recht gedaan aan het belang van het college om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen.
11. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
12. De rechtbank stelt verder vast dat de bestuurlijke dwangsom geheel is verbeurd en stelt deze vast op € 1.442,-.
13. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht van eisers vergoeden. Het college moet ook de proceskosten van eisers vergoeden. Eisers hebben verzocht om vergoeding van hun reiskosten naar de rechtbank. De rechtbank stelt het bedrag aan proceskosten van eisers vast op € 81,60 (twee keer een bedrag van € 40,80).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op uiterlijk zes weken na de verzending van deze uitspraak een besluit op het verzoek van eisers bekend te maken;
  • bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 81,60 aan proceskosten aan eisers;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst hierbij naar artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht.