De veroordeelde is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en acht maanden, waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) aanvankelijk was vastgesteld op 18 oktober 2024. Het Openbaar Ministerie stelde de beslissing over de v.i. meerdere malen uit, eerst met 90 dagen, daarna met 30 dagen, en vervolgens opnieuw met 90 dagen, wat leidde tot bezwaarschriften van de veroordeelde.
De raadkamer behandelde het bezwaarschrift op 4 december 2024 en constateerde dat het Openbaar Ministerie niet tijdig had besloten over de v.i., ondanks dat de noodzakelijke delictanalyse inmiddels was afgerond. De raadkamer oordeelde dat het uitstel van 90 dagen op 15 november 2024 niet redelijk was, gezien de omstandigheden en de coöperatieve houding van de veroordeelde.
Daarom verklaarde de raadkamer het bezwaarschrift gegrond en bepaalde dat de veroordeelde uiterlijk op 17 december 2024 voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, al dan niet met voorwaarden verbonden door het Openbaar Ministerie.