Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- een in wettelijke vorm opgemaakt rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, 2e c.q. 3e lid Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) met de bijlagen, opgemaakt en gesloten op 16 oktober 2022, door brigadier [verbalisant] (hierna: het rapport);
- het ten laste van de veroordeelde gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 9 december 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 08.258500.22 (hierna: het vonnis);
2.De vordering en de beoordeling daarvan
3.Het oordeel van de rechtbank
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
stoffen of voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstig reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in de artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten.
4.De wettelijke voorschriften
5.De beslissing
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 74.171,58;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 74.171,58 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.