Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2024:6720

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
84.053485.22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SvArt. 341 SrArt. 19 Gedragsregels Advocatuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte faillissementsfraude wegens ontbreken voorzienbaarheid faillissement

De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van faillissementsfraude in samenhang met het faillissement van medeverdachte 1. Verdachte werd ervan verdacht onroerend goed en vorderingen aan de boedel van medeverdachte 1 te hebben onttrokken en schuldeisers te hebben benadeeld, al dan niet als medepleger of feitelijk leider.

Tijdens de terechtzitting op 2 december 2024 heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van de officier van justitie en de verdediging. De officier van justitie stelde dat het faillissement vanaf april 2017 voor verdachte voorzienbaar was en dat verdachte opzettelijk handelde. De verdediging betoogde dat verdachte integraal vrijgesproken moest worden.

De rechtbank oordeelde dat verdachte als advocaat en bestuurder van zijn kantoor medeverdachte 1 had bijgestaan en dat er geen bewijs was dat verdachte het faillissement voorzien had. Verdachte had verklaard dat medeverdachte 1 voldoende vermogensbestanddelen had en dat het faillissement niet voorzienbaar was. De rechtbank concludeerde dat niet is komen vast te staan dat verdachte met opzet schuldeisers heeft benadeeld.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Hoewel het handelen van verdachte mogelijk gedragsrechtelijk laakbaar was, ontbrak het aan bewijs voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Het vonnis werd uitgesproken op 16 december 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat het faillissement niet voor hem voorzienbaar was en opzet op benadeling van schuldeisers ontbreekt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.053485.22 (P)
Datum vonnis: 16 december 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 december 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.M. Jansen, advocaat in Roden, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 2 december 2024, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair:met [medeverdachte 1] voorafgaand en gedurende het faillissement van [medeverdachte 1] onroerend goed en een vordering aan de boedel van [medeverdachte 1] heeft onttrokken, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld en/of een van zijn schuldeisers wederrechtelijk heeft bevoordeeld;
subsidiair:opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 2] B.V. en/of [bedrijf] B.V. met
[medeverdachte 1] voorafgaand en gedurende het faillissement van [medeverdachte 1] onttrekken van onroerend goed en een vordering aan de boedel van [medeverdachte 1] , wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld en/of een van zijn schuldeisers wederrechtelijk heeft bevoordeeld;
meer subsidiair:met een ander of anderen voorafgaand en gedurende het faillissement van [medeverdachte 1] onroerend goed en een vordering aan de boedel van [medeverdachte 1] heeft onttrokken, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld en/of een van zijn schuldeisers wederrechtelijk heeft bevoordeeld;
meest subsidiair:opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 2] B.V. en/of [bedrijf] B.V. met een ander of anderen voorafgaand en gedurende het faillissement van [medeverdachte 1] onttrekken van onroerend goed en een vordering aan de boedel van [medeverdachte 1] , wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld en/of een van zijn schuldeisers wederrechtelijk heeft bevoordeeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij, op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot en met 25 april 2019, in de gemeente(n) Emmen en/of Coevorden en/of Noordenveld, althans in Nederland en/of te Geeste (Duitsland),
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),
als medepleger van [medeverdachte 1] die op 24 april 2018 door de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement is verklaard,
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld,
opzettelijk voor en/of tijdens het faillissement
a)
enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt, immers heeft/hebben hij/zij:
- onroerend goed en/of (een) opstal(len), gelegen aan de [adres 2] verkocht aan [naam 1] op of omstreeks 15 mei 2017,
en/of
- een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer)
€ 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer) € 10.000,=,
en/of
b)
een van de schuldeisers van [medeverdachte 1] (te weten [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V.) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt, immers heeft/hebben hij/zij een vordering een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer) € 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer) € 10.000,=, waarop vervolgens die betaling van (ongeveer) € 10.000,= in mindering is gebracht op (een) openstaande factu(u)r(en) en/of vordering(en) van [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. aan/op [medeverdachte 1] ;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt, subsidiair:
[medeverdachte 2] B.V. en/of [bedrijf] B.V. op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot en met 25 april 2019 in de gemeente(n) Emmen en/of Coevorden en/of Noordenveld, althans in
Nederland en/of te Geeste (Duitsland),
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),
als medepleger van [medeverdachte 1] die op 24 april 2018 door de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement is verklaard,
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld,
opzettelijk voor en/of tijdens het faillissement
a)
enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt, immers heeft/hebben zij:
-onroerend goed en/of (een) opstal(len), gelegen aan de [adres 2] verkocht aan [naam 1] op of omstreeks 15 mei 2017,
en/of
-een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer)
€ 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer) € 10.000,=,
en/of
b)
een van de schuldeisers van [medeverdachte 1] (te weten [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V.) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt, immers heeft/hebben zij een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer) € 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer)
€ 10.000,=, waarop vervolgens die betaling van (ongeveer) € 10.000,= in mindering is gebracht op (een) openstaande factu(u)r(en) en/of vordering(en) van [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. aan/op [medeverdachte 1] ,
zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven tot het/de vorenomschreven strafbare feit(en), althans feitelijk leiding heeft gegeven aan vorenomschreven verboden gedraging(en);
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt, meer meer subsidiair:
hij, op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot en met 25 april 2019,
in de gemeente(n) Emmen en/of Coevorden en/of Noordenveld, althans in Nederland en/of te Geeste (Duitsland),
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),
Ingeval van het faillissement van [medeverdachte 1] die op 24 april 2018 door de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement is verklaard,
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld,
opzettelijk voor en/of tijdens het faillissement
a)
enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt, immers heeft/hebben hij/zij een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer) € 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer) € 10.000,=,
en/of
b)
een van de schuldeisers van [medeverdachte 1] (te weten [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V.) op enige wijze wederrechtelijk bevoordeeld of bevoordeelt, immers heeft/hebben hij/zij een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer) € 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer) € 10.000,=, waarop vervolgens die betaling van (ongeveer) € 10.000,= in mindering is gebracht op (een) openstaande factu(u)r(en) en/of vordering(en) van [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. aan/op [medeverdachte 1] ;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt, meest subsidiair:
[medeverdachte 2] B.V. en/of [bedrijf] B.V. op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot en met 25 april 2019,
in de gemeente(n) Emmen en/of Coevorden en/of Noordenveld, althans in Nederland en/of te Geeste (Duitsland)
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),
ingeval van het faillissement van [medeverdachte 1] die op 24 april 2018 door de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement is verklaard,
wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld,
opzettelijk voor en/of tijdens het faillissement
a)
enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt, immers heeft/hebben zij een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer) € 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer) € 10.000,=,
en/of
b)
een van de schuldeisers van [medeverdachte 1] (te weten [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V.) op enige wijze wederrechtelijk bevoordeeld of bevoordeelt, immers heeft/hebben zij een vordering die [medeverdachte 1] had op [naam 2] , ten bedrage van (ongeveer) € 170.984,83, gecedeerd aan [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. voor een bedrag van (ongeveer)
€ 10.000,=, waarop vervolgens die betaling van (ongeveer) € 10.000,= in mindering is gebracht op (een) openstaande factu(u)r(en) en/of vordering(en) van [medeverdachte 2] BV en/of [bedrijf] B.V. aan/op [medeverdachte 1] ,
zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),
althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven tot het/de vorenomschreven strafbare feit(en), althans feitelijk leiding heeft gegeven aan vorenomschreven verboden gedraging(en).

3.De voorvragen

3.1
Geldigheid van de dagvaarding
De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding nietig is voor wat betreft de onder a) en b) beschreven handelingen, omdat de tenlastelegging op deze onderdelen onvoldoende feitelijk is omschreven.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoende concreet en feitelijk is omschreven, en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding geldig is en verwerpt het verweer.
3.2
De overige voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.Vrijspraak

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen is. Vanaf 5 april 2017 was voor verdachte het faillissement van [medeverdachte 1] voorzienbaar. Op die datum heeft verdachte [medeverdachte 1] geïnformeerd over verhaalsmogelijkheden naar aanleiding van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2017, waarbij [medeverdachte 1] werd veroordeeld tot betaling van
€ 296.984,45.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte is advocaat en werkzaam bij zijn eigen kantoor, [medeverdachte 2] B.V. (hierna: het kantoor).
Verdachte staat [medeverdachte 1] al jaren bij.
[medeverdachte 1] had vanaf april 2007 een eenmanszaak, [eenmanszaak] . In 2007 en 2008 verrichtte [medeverdachte 1] met zijn eenmanszaak werkzaamheden in Nederland. [stichting 1] , [stichting 2] en [stichting 3] (hierna: de stichtingen) brachten aan de eenmanszaak van [medeverdachte 1] pensioenpremies en cao-vergoedingen in rekening. [medeverdachte 1] was van mening dat hij aan deze stichtingen geen vergoedingen was verschuldigd en betaalde de facturen niet.
Op 21 mei 2014 veroordeelde de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland [medeverdachte 1] tot het betalen van de door de stichtingen gevorderde bedragen. [medeverdachte 1] was de stichtingen in totaal € 296.984,45 verschuldigd.
[medeverdachte 1] werd in deze procedure bijgestaan door een kantoorgenoot van verdachte. Verdachte berichtte [medeverdachte 1] op 26 mei 2014 dat de stichtingen naar verwachting zijn faillissement zouden aanvragen zodra het vonnis onherroepelijk werd. [medeverdachte 1] stelde vervolgens hoger beroep in tegen het vonnis van de kantonrechter. Op 4 april 2017 bekrachtigde het gerechtshof het vonnis van de kantonrechter.
[medeverdachte 1] had ook een schuld bij het kantoor van verdachte. Deze schuld bedroeg eind 2016
€ 154.596,52.
Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] in 2014, na het vonnis van de kantonrechter, heeft gewezen op de mogelijkheid van een faillissementsaanvraag, omdat de Belastingdienst op dat moment ook een grote vordering op [medeverdachte 1] had. Op 11 april 2017 kwamen de Belastingdienst en [medeverdachte 1] in een vaststellingsovereenkomst overeen dat de Belastingdienst geen verdere invorderingsmaatregelen zou treffen. Met deze vaststellingsovereenkomst, waarmee een vordering van bijna 1,5 miljoen euro verviel, stond [medeverdachte 1] er financieel opeens heel anders voor, aldus verdachte. Verdachte heeft verklaard dat, volgens de informatie waar hij over beschikte, [medeverdachte 1] voldoende vermogensbestanddelen (waaronder onroerend goed in [locatie] ) had om de vorderingen van de stichtingen en het kantoor van verdachte te kunnen voldoen.
In mei 2017 heeft [medeverdachte 1] een perceel in [adres 2] overgedragen aan zijn ex-partner. Daarbij werd de koopsom van € 186.000,-- omgezet in een geldlening van [medeverdachte 1] aan zijn ex-partner, die vanaf 2047 opeisbaar zou worden. [medeverdachte 1] was aan zijn ex-partner maandelijks de huurtermijnen verschuldigd voor het gebruik van de op het perceel aanwezige schuur, welke termijnen werden verrekend met de door zijn ex-partner maandelijks verschuldigde, in omvang gelijk aan de huurtermijnen, rente. Ook verkreeg [medeverdachte 1] het terugkooprecht van het perceel. Verdachte heeft de overeenkomst van geldlening en de overeenkomst betreffende het terugkooprecht opgesteld.
Verder heeft [medeverdachte 1] in juni 2017 een vordering van € 170.984,83, die hij had op
[naam 2] , gecedeerd aan het kantoor van verdachte. Met de cessie werd beoogd de vordering, die het kantoor op [medeverdachte 1] had, te voldoen.
[medeverdachte 1] is op 24 april 2018 in staat van faillissement verklaard.
Handelen van verdachte
Verdachte heeft als betaling van zijn, althans die van zijn vennootschap, openstaande vordering op [medeverdachte 1] een vordering van [medeverdachte 1] op een derde gecedeerd gekregen inclusief een ten behoeve van die vordering gevestigd recht van hypotheek. Een dergelijke wijze van voldoening van declaraties is blijkens artikel 19 van Pro de Gedragsregels Advocatuur en tuchtrechtspraak niet toegestaan, [1] tenzij daartoe overleg met de deken heeft plaatsgehad. Verdachte heeft verklaard dat hij de deken, aanwezig tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand, eerst toen hierover heeft geïnformeerd. Alhoewel verdachte mogelijk gedragsrechtelijk laakbaar heeft gehandeld, dient de rechtbank in deze strafzaak – onder meer – te beoordelen of het faillissement van [medeverdachte 1] voor hem voorzienbaar is geweest. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Voorzienbaarheid van het faillissement
Voor een bewezenverklaring van artikel 341 van Pro het Wetboek van Strafrecht is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers. In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende. Aangenomen wordt dat dit impliceert dat ten tijde van de tenlastegelegde handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan, waarbij een aanmerkelijke kans in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid is, of dat als gevolg van die handelingen een redelijke mate van waarschijnlijkheid van een faillissement is ontstaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het faillissement zelf is geen zelfstandig vereiste. Met andere woorden, ten tijde van de tenlastegelegde handelingen moet het faillissement van [medeverdachte 1] voor verdachte voorzienbaar zijn geweest.
Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in mei en juni 2017 een faillissement van [medeverdachte 1] voor verdachte niet voorzienbaar was. Verdachte kon en hoefde niet te voorzien dat [medeverdachte 1] zou blijven weigeren de vordering van de stichtingen te voldoen, hetgeen uiteindelijk tot zijn faillissement zou leiden. Verdachte heeft bovendien onweersproken gesteld dat [medeverdachte 1] in staat was de vordering van de stichtingen te voldoen. Dat leidt tot het oordeel dat evenmin is komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld met opzet op de benadeling van schuldeisers. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van alle tenlastegelegde varianten.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. H. Stam en
mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
Buiten staat
Mr. De Waard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hof van Discipline 14 april 2015, ECLI:NL:TAHVD:2015:134 en Raad van Discipline Amsterdam 2 december 2014, ECLI:NL TADRAMS:2014:320.