Op 15 april 2024 stichtte verdachte opzettelijk brand in zijn woning te Raalte, waarbij gemeen gevaar voor goederen ontstond. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd, mede op basis van zijn bekentenis en forensisch onderzoek.
De officier van justitie en de verdediging stelden beiden dat verdachte ontslagen moest worden van alle rechtsvervolging. De rechtbank nam kennis van een pro Justitia rapport van een psychiater waarin werd vastgesteld dat verdachte leed aan schizofrenie, ADHD en autisme en ten tijde van het delict paranoïde psychotisch was. Verdachte had een ernstig verstoorde realiteitstoetsing en ontbeerde het vermogen om zijn gedragskeuzes vrij te bepalen.
Gezien deze omstandigheden rekende de rechtbank het feit verdachte niet toe en sprak hem vrij van strafbaarheid. Tevens werd een zorgmachtiging verleend op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven en verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging.