ECLI:NL:RBOVE:2024:6924

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
08-952604-18 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetArt. 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs handel in drugs, witwassen en bezit amfetamineolie

De rechtbank Overijssel heeft op 23 december 2024 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van handel in harddrugs, witwassen en het voorhanden hebben van 2,5 liter amfetamineolie. De verdenkingen betroffen een periode van april 2014 tot juni 2016 in Almelo.

Tijdens het onderzoek zijn onder meer gegevens uit een Duitse politieactie tegen de online marktplaats Hydra onderzocht, waarbij verdachte en anderen als mogelijke handelaren in drugs werden geïdentificeerd. Er werden doorzoekingen verricht in woningen en een loods, waarbij onder meer verpakkingsmateriaal en amfetamineolie werden aangetroffen.

De officier van justitie achtte het bewijs voldoende voor de feiten van handel in drugs en bezit van amfetamineolie, maar niet voor witwassen. De verdediging betwistte alle tenlasteleggingen. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te verbinden aan de handel in drugs en het bezit van amfetamineolie, mede vanwege de gedeelde toegang tot de loods en het ontbreken van overtuigend bewijs. Ook witwassen werd niet bewezen verklaard.

De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle tenlastegelegde feiten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. E. Venekatte.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van handel in drugs, witwassen en bezit van amfetamineolie wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-952604-18 (P)
Datum vonnis: 23 december 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 november 2024 en 12 december 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met anderen of alleen, in Almelo:
feit 1:in de periode van 1 april 2014 tot en met 6 juni 2016 harddrugs buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, dan wel harddrugs heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad;
feit 2:zich in de periode van 1 april 2014 tot en met 6 juni 2016 schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van een totaalbedrag van 1.346.810,00 euro;
feit 3: op 6 juni 2016 2,5 liter amfetamine olie voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2014 tot en met 06 juni 2016 te Almelo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (telkens) een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) heroine en/of cocaine en/of amfetamine en/of MDMA, in elk geval een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroine en/of cocaine en/of amfetamine en/of MDMA zijnde (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks 01 april 2014 tot en met 06 juni 2016, te Almelo althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen een of meer geldbedrag(en) (totaal euro 1.346.810,00) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt van, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat die/dat geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en verdachte en/of zijn mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt;
3.
hij op of omstreeks 06 juni 2016 te Almelo (in een perceel [adres 2]) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,5 liter amfetamine olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is
en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
Op de zitting heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat sprake is van een forse termijnoverschrijding die grotendeels aan het Openbaar Ministerie is te wijten. Voor het antwoord op de vraag of dit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden, heeft zij zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
De verdediging heeft op dit punt geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de officier van justitie niet kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zodat zij hieraan voorbijgaat.
De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging
en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsvraag

4.1
Inleiding
In november 2014 is door het Hessisches Landeskriminalamt (de staatspolitie in Wiesbaden, Duitsland) in het kader van politiemaatregelen tegen de internationale onlinehandel in verdovende middelen, beslag gelegd op de serverdatabase van de illegale online marktplaats “Hydra”. Uit de analyse van deze database bleek dat een handelaar in verdovende middelen (harddrugs) onder de naam “[alias]” actief is. Nader onderzoek op het darkweb wees uit dat “[alias]” ook op andere illegale marktplaats websites actief is en daar onder meer cocaïne, heroïne, speed en MDMA aanbiedt en verkoopt aan een wereldwijd klantenbestand. De Duitse politie is vervolgens een opsporingsonderzoek onder de naam “EK Donut” gestart met als doel de personen achter het verkopersaccount “[alias]” te achterhalen. Door stelselmatig te observeren en telefoons te tappen zijn [verdachte] (hierna: [verdachte]), [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] als verdachten in beeld gekomen. Er werden doorzoekingen verricht in de woningen van een aantal van de verdachten en in een loods aan de [adres 2]. Hierbij zijn diverse voorwerpen aangetroffen die nodig zijn voor de productie, verpakking en verzending van verdovende middelen, zoals adresstickers, postzegels, enveloppen, gripzakjes en een jerrycan met daarin amfetamine-olie. Dit heeft geleid tot de verdenkingen van voormelde strafbare feiten.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder feit 2. Het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
4.3
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.
4.4
Oordeel van de rechtbank
4.4.1
Feit 2
De rechtbank is van oordeel, in navolging van het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, dat niet bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen zoals onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.
4.4.2
Feit 1, feit 3
De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat [verdachte] in een deel van de onder feit 1 ten laste gelegde periode en op de onder feit 3 ten laste gelegde pleegdatum (mede)huurder was van de loods aan de [adres 2] en dat hij daar regelmatig verbleef. Ook had [verdachte] in die periode contacten met de hierboven genoemde medeverdachten. Naar het oordeel van de rechtbank leveren die omstandigheden echter, mede vanwege het gegeven dat andere personen toegang tot die loods hadden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op om tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde te komen. De rechtbank zal [verdachte] daarom van die feiten vrijspreken.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het onder de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.G.J. Gehring en
mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.