ECLI:NL:RBOVE:2024:6928

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
08-952675-17
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €336.702,00 van de veroordeelde, gebaseerd op het medeplegen van handel in verdovende middelen en witwassen. De zaak werd behandeld tijdens drie zittingen in november en december 2024.

De verdediging verzocht afwijzing van de ontnemingsvordering vanwege de vrijspraak van het witwasfeit en het ontbreken van concreet bewijs voor het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde werd vrijgesproken van het witwasfeit en veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine.

De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat daadwerkelijk voordeel is verkregen uit het bewezen feit of andere strafbare feiten door de veroordeelde. Op grond hiervan werd de vordering tot ontneming afgewezen.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Almelo en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-952675-17
Datum vonnis: 23 december 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres],
bijgestaan door zijn raadsman mr. R.J.H. van der Wal, advocaat in
Hengelo (O).

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 336.702,00.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 5 november 2024,
7 november 2024 en 12 december 2024.
Standpunt van de officier van justitie
Op de zitting van 5 november 2024 heeft de officier van justitie verzocht om de vordering tot ontneming af te wijzen, omdat niet concreet is vast te stellen of en in welke mate sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, vanwege de door hem in de hoofdzaak bepleite vrijspraak van feit 2 (het medeplegen van witwassen), op de zitting van 7 november 2024 verzocht om de ontnemingsvordering af te wijzen.

3.De beoordeling van de vordering

De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op voordeel dat zou zijn verkregen uit het medeplegen van de uitvoer van en handel in verdovende middelen (harddrugs) alsmede witwassen, zoals in de hoofdzaak onder feit 1 respectievelijk feit 2 is ten laste gelegd. [veroordeelde] is bij vonnis van 23 december 2024 vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Voor het onder feit 1 ten laste gelegde is [veroordeelde] veroordeeld, maar enkel voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid amfetamine.
De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat daadwerkelijk voordeel is verkregen uit het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld of uit andere strafbare feiten die door hem zijn begaan, zodat op grond van artikel 36e, tweede lid Sr, geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.G.J. Gehring en
mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.