ECLI:NL:RBOVE:2024:746

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
84.072673.22 (P) - hoofdzaak
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 185 Companies Act 2006Art. 6 EVRMArt. 361 lid 2 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens onmogelijkheid verdediging rechtspersoon struck-off

De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin verdachte, een rechtspersoon gevestigd in het buitenland en sinds augustus 2022 struck-off is, werd vervolgd voor valsheid in geschrift met betrekking tot twee facturen uit 2014 en 2015. Hoewel verdachte administratief uitgeschreven is, bestaat zij volgens het toepasselijke buitenlandse recht nog steeds, waardoor het OM ontvankelijk zou zijn in de vervolging.

Echter, op grond van artikel 185 van Pro de Companies Act 2006 mag een struck-off rechtspersoon zich niet verdedigen in gerechtelijke procedures. Dit conflicteert met artikel 6 EVRM Pro dat het recht op verdediging waarborgt. Omdat verdachte niet in staat is zichzelf te verdedigen en de advocaat die zich op het laatste moment stelde ook niet bevoegd is om te pleiten, oordeelt de rechtbank dat het OM niet ontvankelijk is in de vervolging.

Daarnaast zijn vorderingen van twee benadeelde partijen afgewezen wegens de niet-ontvankelijkheid van het OM. De rechtbank bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het vonnis is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 1 februari 2024.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van het recht op verdediging van de struck-off rechtspersoon.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer : 84.072673.22 (P)
Datum vonnis : 1 februari 2024
Verstekvonnis in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen:
[verdachte],
gevestigd aan de [vestigingsplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 november 2022, 7 september 2023 en van 1 februari 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van wat door de officieren van justitie mr. M. Lambregts en mr. D.G. Specker naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich van
11 november 2014 tot en met 26 februari 2015 met (een) ander(en), onder wie [naam], of alleen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij in of omstreeks de periode van 11 november 2014 tot en met 26 februari 2015 te Alkmaar en/of Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, Guernsey en/of [plaats],
tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of een of meer
natuurlijke personen (waaronder [naam]) en/of ieder voor zich, althans alleen,
geschriften die bestemd waren tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een factuur van [verdachte] gericht aan [bedrijf] B.V. met een factuurbedrag van EUR 1.644.270,- van 11 november 2014 (DOC-021(a)); en/of
- een factuur van [verdachte] gericht aan [bedrijf] B.V. met een factuurbedrag van EUR 1.200.000 van 26 februari 2015 (DOC-022(a));
valselijk heeft opmaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen met het oogmerk om die als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,
bestaande die valsheid hierin dat de gefactureerde bedragen niet in verhouding staan tot de
verrichtte werkzaamheden en/of daadwerkelijke kosten, of dat de facturen geheel in strijd
met de waarheid zijn opgemaakt.

3.De voorvragen

3.1
De geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
3.3
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of tegen verdachte een strafrechtelijke vervolging kan worden gestart. Bij de beantwoording van deze vraag zijn twee aspecten van belang:
- bestaat verdachte – die zich in een situatie van ‘struck-off’ bevindt – nog?
- wat betekent het als een rechtspersoon, zoals verdachte, zich niet in een
gerechtelijke procedure mag verdedigen?
De rechtbank gaat hieronder afzonderlijk in op deze twee aspecten.
3.3.1
De status van de verdachte
De rechtbank overweegt dat verdachte is opgericht, en gevestigd, op [plaats]. Verdachte valt dan ook onder het recht van [plaats], nader uitgewerkt en beschreven in de Companies Act 2006. Per 4 augustus 2022 is verdachte uitgeschreven uit het handelsregister. Naar het recht van [plaats] wordt dit benoemd met de term ‘struck-off’. De officieren van justitie hebben zich tijdens de zittingen van 21 november 2022 en 7 september 2023 op het standpunt gesteld dat verdachte nog wel bestaat, gelet op de mogelijkheid van ‘restoration’.
Naar het oordeel van de rechtbank houdt de term ‘struck-off’ niet in dat verdachte niet meer bestaat. Dat zou pas zo zijn als zij ‘dissolved’ was, vergeleken met het Nederlandse ‘ontbonden zijn’. Verdachte is zogenaamd enkel administratief doorgehaald omdat zij de kosten van de registratie niet heeft voldaan. Voldoet zij of een belanghebbende de achterstand alsnog, dan is de status van verdachte hersteld. Gezien de wetgeving van [plaats] betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte tijdens een situatie van ‘struck-off’ onverkort blijft bestaan. Verdachte bestaat dus nog en het Openbaar Ministerie is om die reden ontvankelijk om haar te vervolgen.
3.3.2
Het recht om zichzelf te verdedigen
In artikel 185 lid 1 onder Pro a en b van de Companies Act 2006 is onder meer opgenomen dat een rechtspersoon die ‘struck off’ is zich niet in een gerechtelijke procedure mag verdedigen. De officieren van justitie hebben zich tijdens de zitting van 1 februari 2024 op het standpunt gesteld dat dit artikel uitsluitend op [plaats] een vervolging van verdachte in de weg staat. Het is wel mogelijk om verdachte strafrechtelijk te vervolgen in Nederland, aldus de officieren van justitie.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 lid 3 onder Pro c van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden staat dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld in het bijzonder het recht heeft om zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Dit is niet anders als het, zoals verdachte, een rechtspersoon betreft.
In de onderhavige zaak heeft zich op het laatste moment, namelijk op 29 januari 2024, een raadsman gesteld namens verdachte. Nog los van de vraag of verdachte juridisch gezien in staat zou zijn om een advocaat te machtigen; die advocaat is vervolgens gebonden aan dezelfde wettelijke regeling en gelet daarop dus niet in staat om verdachte in rechte te verdedigen. Nu aan het vereiste dat een (rechts)persoon zich moet kunnen verdedigen op dit moment niet kan worden voldaan, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte niet vervolgd kan worden. Zij zal het Openbaar Ministerie om deze reden dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4.De schade van benadeelden

In de onderhavige zaak zijn een tweetal vorderingen benadeelde partij ingediend te weten door [naam] en door [bedrijf] B.V. waarbij voor respectievelijk voor een bedrag van € 3.000.000,-- en € 3.5000.000,-- is gevorderd.Omdat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van verdachte, zal de rechtbank [naam] en
[bedrijf] B.V.op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.
De benadeelde partijen en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte;
- verklaart de benadeelde partijen
[naam] en [bedrijf] B.V. niet-ontvankelijk in hun respectievelijke vorderingen;
- bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2024.
Buiten staat
Mr. M.S. de Waard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.