6.3De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een planmatige en van tevoren uitgedachte overval op het slachtoffer. Het slachtoffer is ‘s avonds naar een bosrijke omgeving gelokt en vervolgens stap voor stap steeds dieper het bos in gelokt. Terwijl het slachtoffer op een bospad liep, zijn de medeverdachten uit het bos gekomen met een bivakmuts over het hoofd. Het slachtoffer is een wapen voorgehouden/getoond en tegen hem is gezegd dat hij zijn horloge en zijn tasje moest afgeven. De vriendin van het slachtoffer was hierbij aanwezig en de verdachten wisten dat dit het geval zou zijn. Het heeft hen er niet van weerhouden hun plannen door te zetten, waardoor niet alleen het slachtoffer, maar ook de vriendin van het slachtoffer in een uiterst beangstigende situatie terecht is gekomen.
Door de bedreiging met het wapen verkeerde het slachtoffer (en dus ook zijn vriendin) in de veronderstelling dat hij/zij zou(den) worden neergeschoten. Dat de impact groot was en dat deze overval diepe sporen in het leven van het slachtoffer en zijn vriendin heeft achtergelaten, blijkt uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen. Het lijkt erop dat verdachte in het geheel niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Het gemak waarmee verdachte en de medeverdachten tot het plegen van dit strafbare feit zijn overgegaan, de voor het slachtoffer waardevolle goederen in ontvangst hebben genomen na bedreiging met een wapen en die vervolgens onderling hebben verdeeld, getuigt niet alleen van weinig respect voor andermans eigendommen, maar is ook reden voor grote zorg. Roofovervallen zorgen daarnaast ook voor onrust, gevoelens van onveiligheid en angst in de maatschappij.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 16 januari 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de over verdachte opgemaakte rapporten.
Het rapport van R. Gerats, MSc, orthopedagoog-generalist, van 10 oktober 2023, houdt kort samengevat het volgende in.
Bij verdachte is sprake van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en hechtingsproblematiek. Hij verblijft op een woongroep voor licht verstandelijk beperkten, omdat hij veel vaardigheden die passend zijn bij zijn leeftijd en gemiddelde intelligentieniveau nog niet beheerst. Daarnaast zijn er bijkomende problemen in de vorm van een leer/onderwijsprobleem. Verdachte gaat niet naar school, wisselt snel van werk, heeft een laag zelfbeeld, negatieve opvattingen en een gebrekkige emotieregulatie, in die zin dat er beperkt retrospectie plaatsvindt en alle gevoelens van ongenoegen gedempt worden. Ook spelen gebrekkig ontwikkelde coping vaardigheden een rol. Er lijkt sprake van middelengebruik, waarvan niet precies duidelijk is geworden in hoeverre dit een rol speelt in zijn dagelijks leven. Dit was aan de orde tijdens het plegen van het feit. Geadviseerd wordt om verdachte dit in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en maakt het tot het hare.
Het recidiverisico op onder andere geweldsdelicten wordt als laag ingeschat op korte termijn en matig op lange termijn, indien er geen behandeling plaatsvindt en het toezicht op hem vermindert. Op korte termijn wordt het recidiverisico laag ingeschat, omdat verdachte als gevolg van de consequenties, zoals de voorwaarden die er gesteld zijn en het feit dat hij nog in afwachting is van de strafzaak, zich zeer bewust is van zijn procespositie. Dat het risico op lange termijn als matig wordt ingeschat, heeft te maken met zijn hechtingsproblematiek, waardoor het profiteren van behandeling bemoeilijkt wordt, en met de beperkte interesse in werk en school in combinatie met zijn vermijdende coping en korte termijn denken.
Verdachte heeft onvoldoende innerlijke sturing en heeft duidelijke kaders en veel nabijheid nodig om de juiste keuzes te maken. Voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte en om de kans op recidive te verkleinen is poliklinische behandeling geïndiceerd. Behandeling dient zich te richten op het vergroten van zijn coping, het verbeteren van zijn zelfbeeld en het creëren van stabiele leefomstandigheden, waarna traumaverwerking geboden kan worden. De interventies kunnen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf worden opgelegd.
Het rapport van de Raad “Uitkomsten basisonderzoek en strafadvies” van 27 november 2023 houdt kort samengevat het volgende in.
[verdachte] is een jongen van 18 jaar met een belast verleden. Hij heeft een groot gedeelte van zijn leven in instellingen gewoond. Op dit moment woont [verdachte] bij WBJV te Hengelo. Daar lijkt hij het goed op te pakken. De begeleiding is positief over de opstelling van [verdachte] en de omgang met hen en de medebewoners. Feit is wel dat [verdachte] nu stappen moet zetten om zich verder te ontwikkelen richting zelfstandigheid. Zijn schoolgang is tot stilstand gekomen en er is ook geen duidelijke dag invulling. Het is van belang dat hij hier duidelijke ondersteuning in gaat krijgen en in de actie gezet gaat worden. De Raad vindt dat [verdachte] gebaat is bij de ondersteuning van de jeugdreclassering. De jeugdreclassering kan [verdachte] een duidelijk kader aangeven waar [verdachte] zich op zou moeten richten, zoals school, de vrijetijdsinvulling, vriendenkeuze en minder impulsief reageren. Er zal aandacht moeten zijn voor de keuze van vrienden en de invloed van vrienden, weerbaarheid en het omgaan met de ingrijpende ervaringen die hij heeft meegemaakt in het verleden, zoals hij zelf omschrijft.
Geadviseerd wordt om verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren en daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf.
Ter terechtzitting op 12 februari 2024 zijn als deskundigen gehoord mevrouw [medewerker jeugdbescherming 1] van de Raad en mevrouw [medewerker jeugdbescherming 2] , jeugdreclasseerder bij William Schrikker Stichting jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Mevrouw [medewerker jeugdbescherming 1] heeft verklaard dat behandeling gericht dient te zijn op traumaverwerking. Oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie lijkt niet noodzakelijk als stok achter de deur.
Mevrouw [medewerker jeugdbescherming 2] heeft verklaard dat zij het eens is met het advies van R. Gerats.
Gezien de aard en de ernst van het gepleegde feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke straf. Gelet op het feit dat het om een geplande overval gaat, tezamen en in vereniging gepleegd, waarbij gebruik gemaakt is van een vermomming en een vuurwapen of daarop gelijkend voorwerp en het slachtoffer naar een afgelegen omgeving is gelokt buiten het zicht van camera’s, is de rechtbank van oordeel dat bij het bepalen van de straf en de strafmaat, gelet op de wijze waarop de beroving is gepland en uitgevoerd zoals hiervoor omschreven, aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zoals die gelden voor een overval. Gelet hierop hanteert de rechtbank als uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van de straf een jeugddetentie van zes maanden of hoger.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin, dus in het voordeel van verdachte, rekening met de volgende omstandigheden: verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, verdachte heeft inzicht getoond in het strafbare van zijn handelen, verdachte heeft de voorwaarden voor schorsing van de voorlopige hechtenis nageleefd en het bewezenverklaarde kan hem in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank vindt daarentegen het gemak waarmee verdachte is overgegaan tot het plegen van dit feit zorgelijk.
Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf, zoals door de raadsman is bepleit. De rechtbank vindt dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de aard en de ernst van het feit enerzijds en de persoonlijke omstandigheden van verdachte anderzijds. Een forse voorwaardelijke jeugddetentie vormt een stok achter de deur voor verdachte, zodat hij geen strafbare feiten meer pleegt. Door oplegging van bijzondere voorwaarden kan verdachte zich zo gunstig mogelijk verder ontwikkelen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden en daarnaast een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op twee jaren. Bij de voorwaardelijke jeugddetentie zullen de voorwaarden worden opgelegd zoals die door de Raad zijn geadviseerd in het rapport van 27 november 2023. De tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht zal op de werkstraf in mindering worden gebracht.