ECLI:NL:RBOVE:2025:1191

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 maart 2025
Publicatiedatum
3 maart 2025
Zaaknummer
84.157792.23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot betaling ter ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen witwassen

De rechtbank Overijssel heeft op 3 maart 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de veroordeelde werd veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen. De zaak betrof het aansturen en uitvoeren van grootschalige geldtransporten over een periode van zeven maanden, waarbij in totaal €32.868.290,-- aan contanten werd vervoerd.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd gebaseerd op de bewezenverklaring en het strafdossier, waaronder een digitale administratie in de Defter-app op de telefoon van een medeveroordeelde. Hoewel de app hogere bedragen vermeldde, achtte de rechtbank alleen de bewezenverklaarde bedragen als basis voor de berekening van het voordeel. De veroordeelde ontving een vergoeding van 0,3% over het vervoerde bedrag, wat resulteerde in een bruto voordeel van €98.604,87.

Na aftrek van aannemelijke kosten zoals een geldtelmachine, mobiele telefoon, abonnementen en brandstof, stelde de rechtbank het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €94.625,26. Verzoeken om verlaging van de betalingsverplichting op grond van billijkheid werden afgewezen. De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde een maximale gijzelingsduur van 1080 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €94.625,26 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.157792.23
Datum vonnis: 3 maart 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 176.655,23.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 20 januari 2025. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. Sönmez, advocaat in Rotterdam, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 174.541,49 en dat voor dit bedrag een betalingsverplichting moet worden opgelegd. Het standpunt van de officier van justitie houdt, zakelijk weergegeven, in dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen uit de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van
3 februari 2025 veroordeeld is, alsmede uit andere strafbare feiten. Deze andere strafbare feiten houden in het witwassen van de geldbedragen die te zien zijn in het overzicht in de Defter-app op de telefoon van medeveroordeelde [medeveroordeelde] .
De raadsman heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden berekend aan de hand van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 3 februari 2025 veroordeeld, voor de strafbare feiten:
feit 1 primair en 2 primair, telkens:
het misdrijf: het medeplegen van gewoontewitwassen.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van het met deze vordering samenhangende strafdossier en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen van in totaal
€ 32.868.290,--, door gedurende een periode van in totaal zeven maanden grote geldbedragen te verwerven, te vervoeren en over te dragen aan anderen.
In de telefoon van medeveroordeelde [medeveroordeelde] is de app Defter aangetroffen. Dit is een app die gebruikt wordt voor het beheren van financiën. Een deel van de administratie in deze app sloot aan bij het berichtenverkeer tussen de veroordeelde en [medeveroordeelde] , waaruit bleek dat [medeveroordeelde] de veroordeelde aanstuurde bij het uitvoeren van geldtransporten. De administratie in Defter biedt verder aanwijzingen dat (in het buitenland) geldtransporten hebben plaatsgevonden van Britse ponden. In totaal vermeldt de digitale administratie in Defter een bedrag van € 93.577.839,50. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is als uitgangspunt genomen dat de veroordeelde daarvan € 50.705.300,-- aan contanten heeft vervoerd.
De rechtbank overweegt dat Defter de mogelijkheid biedt om meerdere mensen toegang te geven tot dezelfde administratie. Het strafdossier bevat verder aanwijzingen dat [medeveroordeelde] en de veroordeelde niet alleen handelden, maar dat ook een ander of anderen betrokken waren bij de geldtransporten. Uit het dossier kan bovendien niet worden afgeleid dat alle transporten van deze bedragen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en als deze hebben plaatsgevonden, in hoeverre de veroordeelde betrokken was bij het vervoer van de geldbedragen die in de Defter-app stonden vermeld. De bedragen vermeld in de Defter app die het bedrag van € 32.868.290,-- overstijgen, kunnen daarom niet als basis dienen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom uitgaan van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen van in totaal € 32.868.290,--.
Opbrengst
[medeveroordeelde] ontving voor het aansturen van de geldtransporten een percentage van 0,5% van de vervoerde geldbedragen. Deze vergoeding deelde hij met de veroordeelde waarbij zij een verdeling van 0,2% (voor [medeveroordeelde] ) en 0,3 % (voor de veroordeelde) hanteerden. [1] De rechtbank stelt dan ook vast dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door de strafbare feiten. Op enig moment is tussen de veroordeelde en [medeveroordeelde] besproken dat de veroordeelde 0,4% wilde ontvangen, maar niet is gebleken dat zij daar daadwerkelijk uitvoering aan hebben gegeven. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de veroordeelde gedurende de gehele periode een percentage van 0,3% als vergoeding heeft ontvangen.
Het voorgaande levert de volgende berekening op, hetgeen leidt tot het navolgende door veroordeelde genoten voordeel :
€ 32.868.290,-- x 0,3% = € 98.604,87.
Kosten
Aannemelijk is dat de veroordeelde de volgende kosten heeft gemaakt [2] :
Geldtelmachine € 300,--
Mobiele telefoon € 1.200,--
SkyECC abonnement € 1.250,--
Brandstof SkyECC-periode € 815,75
Brandstof Signal-periode € 213,86
Vacumeerapparaat € 200,--
Totale kosten € 3.979,61
Conclusie
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 98.604,87 -/- € 3.979,61 =
€ 94.625,26.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De raadsman heeft verzocht om op gronden van billijkheid de betalingsverplichting lager vast te stellen, in verband met de aanschafkosten van de in beslag genomen auto en het geldbedrag van € 50.000,-- dat tijdens een transport is gestolen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op gronden van billijkheid de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde heeft de door hem aangeschafte auto gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten. Daarmee heeft hij het risico genomen en aanvaard dat deze auto in beslag zou worden genomen.
Wat betreft het geldbedrag van € 50.000,-- is onvoldoende aannemelijk geworden dat dit geld gestolen is en dat dit ten laste van de veroordeelde is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 94.625,26.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Stam en mr. D. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2025.

Voetnoten

1.De verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 20 januari 2025.
2.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [veroordeelde] (onderzoek 72894), p. 16.