Eisers en gedaagde sloten een aanneemovereenkomst voor de bouw van een woning, die door gedaagde werd opgeleverd. Eisers klaagden over condensvorming en geluidsoverlast door een gebrekkig ventilatiesysteem en vorderden herstel hiervan en van koudebruggen. De rechtbank oordeelde dat de vordering over condensvorming verjaard is, omdat eisers niet tijdig en ondubbelzinnig hebben geprotesteerd binnen de wettelijke termijn van twee jaar na eerste klacht.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eisers onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd dat de geluidsoverlast zodanig is dat dit als een gebrek kan worden aangemerkt. Het deskundigenrapport vermeldde wel meer geluid, maar gaf geen normoverschrijding aan. De vordering tot herstel van koudebruggen werd eveneens afgewezen omdat deze samenhangt met de condensproblematiek.
De rechtbank veroordeelde eisers hoofdelijk in de proceskosten en wettelijke rente. De verjaring en klachtplicht speelden een doorslaggevende rol in de afwijzing van de vorderingen, ondanks dat gedaagde herstelwerkzaamheden had verricht. Het vonnis werd gewezen door mr. K.J. Haarhuis op 12 maart 2025.