De werknemer, sinds 2007 in dienst bij Connexxion als taxichauffeur en sinds 2013 arbeidsongeschikt, vorderde dat Connexxion hem passende arbeid zou aanbieden en haar re-integratieverplichtingen zou nakomen. Connexxion stelde dat zij geen re-integratieverplichtingen had en vroeg een ontslagvergunning aan, die werd verleend. Vervolgens zegde Connexxion de arbeidsovereenkomst op met ingang van 1 december 2024.
De werknemer startte een procedure met primaire en subsidiaire vorderingen tot werkhervatting en opzegging na toestemming UWV. De kantonrechter oordeelde dat het belang van de werknemer bij deze vorderingen was komen te vervallen door de verleende ontslagvergunning en opzegging, waardoor de vorderingen werden afgewezen.
In reconventie vorderde Connexxion vergoeding van proceskosten, maar de kantonrechter stelde dat geen sprake was van buitengewone omstandigheden of misbruik van procesrecht door de werknemer. Daarom werden de vorderingen van Connexxion eveneens afgewezen en werd Connexxion veroordeeld in haar proceskosten.
Beide partijen werden veroordeeld in hun proceskosten, waarbij de werknemer €644,- en Connexxion €474,- moest betalen. Het vonnis werd gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en op 25 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.