Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle van 18 mei 2021 waarin zijn Wmo-ondersteuning werd gewijzigd voor de periode 14 april 2021 tot en met 13 april 2022. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, omdat het besluit betrekking had op een afgesloten periode en vergelijkbare voorzieningen later onherroepelijk waren toegekend.
De rechtbank oordeelde dat een inhoudelijke toetsing van het besluit niet van belang kan zijn voor toekomstige perioden, mede omdat eiser geen aannemelijk bewijs leverde van geleden materiële of immateriële schade. Eiser stelde dat hij schade had door het ontbreken van passende hulp, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen.
De rechtbank concludeerde dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard en wees het beroep af. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De rechtbank wees erop dat eiser een nieuwe aanvraag kan indienen voor Wmo-ondersteuning indien nodig.