In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een huurachterstand en lopende huurpenningen van gedaagde partijen, huurders van een winkelruimte. De huurovereenkomst loopt nog tot juni 2028. Eiser vordert tevens een voorlopige voorziening om betaling van de achterstallige en lopende huur af te dwingen.
Gedaagden voeren verweer en stellen dat eiser haar waarheidsplicht heeft geschonden door niet te vermelden dat een schuldhulpverleningstraject is gestart. Ook betwisten zij het spoedeisend belang van de vordering, omdat zij een inkomen onder de bijstandsnorm hebben en het traject loopt.
De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij betaling van de achterstallige huur, mede omdat eiser haar hypotheekrisico onvoldoende heeft onderbouwd en het schuldhulpverleningstraject relevant is voor de hoofdzaak. Daarom wordt de vordering tot betaling van de huurachterstand afgewezen.
Wel wordt de vordering tot betaling van de lopende huur vanaf februari 2025 tot aan het einde van de huurovereenkomst of onherroepelijke uitspraak toegewezen en hoofdelijk opgelegd aan gedaagden. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.