De rechtbank Overijssel behandelde een civiele zaak tussen drie stichtingen die pensioenpremies en bijdragen innen en voormalige vennoten van een vennootschap onder firma in de bouwnijverheid. De stichtingen vorderden betaling van achterstallige premies en bijdragen, vermeerderd met rente en kosten. De gedaagden voerden verweer dat zij niet onder de werkingssfeer van de pensioenfondsen vielen en betwistten de hoogte van de vordering.
De rechtbank oordeelde dat de vennootschap wel degelijk onder de werkingssfeer van de stichtingen valt, omdat ook ondernemingen die diensten verlenen aan de bouw- en infra-sector verplicht zijn deel te nemen. De wijze van facturering en de stelling dat aansluiting bij een ander pensioenfonds zou gelden, werden verworpen. De rechtbank vond dat de gedaagden onvoldoende hadden betwist dat zij de gevorderde bedragen verschuldigd zijn en wees hun reconventionele vordering tot terugbetaling af.
De rechtbank kende de wettelijke rente toe vanaf het moment van verzuim en stelde de incassokosten vast conform het toepasselijke besluit. De gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.391,88 plus rente en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.