Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Overijssel
De curator in het faillissement van Ginza B.V. vordert dat de gedaagden worden veroordeeld tot betaling van respectievelijk € 593.400,00 en € 512.390,00 wegens onrechtmatige onttrekkingen aan het vermogen van de gefailleerde vennootschap. De gedaagden zijn niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De rechtbank toetst de vorderingen aan artikel 139 Rv Pro en acht deze toewijsbaar aangezien de feiten niet zijn weersproken.
De gevorderde handelsrente wordt afgewezen omdat geen handelsovereenkomst is gesteld, maar de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro wordt toegewezen. Daarnaast worden beslagkosten deels toegewezen aan één gedaagde, terwijl de andere niet in aanmerking komt wegens het ontbreken van stukken. De proceskosten worden volledig aan de gedaagden opgelegd.
De veroordelingen worden deels hoofdelijk uitgesproken, wat betekent dat elke veroordeelde het gehele bedrag kan worden aangesproken. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een oproep tot verzet binnen een korte termijn door een advocaat. De uitspraak is gedaan door rechter A.M. van Diggele op 2 april 2025.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagden tot betaling van de onrechtmatige onttrekkingen, wettelijke rente, incassokosten, beslagkosten en proceskosten.