In deze civiele procedure stond de vraag centraal of partij B aansprakelijk is voor de schade die partij A heeft geleden door de voortijdige beëindiging van een huurovereenkomst, en of partij C partij B dient te vrijwaren voor deze schade en de proceskosten. De rechtbank bevestigde in het tussenvonnis dat de parent company guarantee van toepassing is en dat partij B een bedrag van €2.625.716,00 plus btw en wettelijke rente aan partij A moet betalen.
Partij B werd als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd en veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan partij A. In de vrijwaringszaak werd partij C veroordeeld tot betaling aan partij B van het schadebedrag en de proceskosten, waaronder de juridische kosten die partij B heeft gemaakt in de hoofdzaak. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van deze kosten en wees de kosten van het advocatenkantoor Simpson Thacher & Bartlett LLP en een ander advocatenkantoor toe, ondanks enkele onregelmatigheden in de facturen.
De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en bepaalde dat het vonnis in de vrijwaringszaak uitvoerbaar bij voorraad is, maar alleen voor de veroordelingen met betrekking tot de advocaatkosten en proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door rechter M.A.M. Essed op 16 april 2025.