Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.De procedure
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van 12 maart 2025;
- de conclusie van antwoord in het incident van 26 maart 2025.
Rechtbank Overijssel
Eiseres kocht in 2017 een onroerende zaak die kort voor de overdracht casco was gemaakt en opnieuw opgebouwd door gedaagde. Eiseres stelde dat er constructieve gebreken waren, waaronder loszittend stucwerk, en vorderde herstel van deze gebreken. Gedaagde verweerde zich met het beroep op een arbitragebeding in de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van Werk 2013, die van toepassing zijn op de aannemingsovereenkomst tussen gedaagde en de vorige eigenaar.
De rechtbank oordeelde dat het arbitragebeding rechtsgeldig is en dat zij zich daarom onbevoegd moet verklaren om van de vordering van eiseres kennis te nemen. Dit volgt uit artikel 1022 Rv Pro, dat bepaalt dat de rechter zich onbevoegd verklaart indien een partij zich tijdig beroept op een geldige arbitrageovereenkomst.
Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, omdat zij nodeloos kosten had veroorzaakt door de zaak bij de rechtbank aanhangig te maken. De rechtbank wees de incidentele vordering van gedaagde toe en verklaarde zich onbevoegd in de hoofdzaak. Het vonnis werd gewezen door mr. A.M. van Diggele en op 23 april 2025 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen wegens een toepasselijk arbitragebeding en veroordeelt eiseres in de proceskosten.