De zaak betreft een geschil tussen een aannemer en opdrachtgevers over de betaling van verbouwingswerkzaamheden aan een pand, uitgevoerd op regiebasis zonder overeengekomen richtprijs. De aannemer vordert € 75.411,46, terwijl de opdrachtgevers slechts bereid zijn € 15.000,- te betalen, stellende dat dit de richtprijs is die zij verwachtten.
De rechtbank stelt vast dat partijen een aannemingsovereenkomst op regiebasis hebben gesloten, maar dat geen richtprijs is overeengekomen. De stelling van de opdrachtgevers dat zij een richtprijs van € 15.000,- mochten verwachten, wordt verworpen omdat daarvoor expliciete afspraken ontbraken. De rechtbank bepaalt dat de opdrachtgevers een redelijke prijs verschuldigd zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de gebruikelijke prijzen en gewekte verwachtingen.
De rechtbank beoordeelt de verschillende kostenposten afzonderlijk. De uren van de aannemer zijn onvoldoende gespecificeerd en moeten nader worden onderbouwd. De reistijd wordt slechts gedeeltelijk toegewezen, namelijk één uur per dag per persoon tegen het uurtarief. Materiaalkosten en niet betwiste posten worden toegewezen. De kosten van onderaannemers moeten eveneens nader worden gespecificeerd, waarbij reistijd van onderaannemers niet wordt vergoed. De rechtbank wijst een deel van de kosten toe en houdt de verdere beslissing aan, waarbij partijen in de gelegenheid worden gesteld nadere stukken te overleggen en te reageren.