ECLI:NL:RBOVE:2025:2638

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
08.310991.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs seksuele aanranding kind

De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het verrichten van een seksuele handeling op een dertienjarig meisje. De tenlastelegging betrof het vegen met de hand over de borsten van het slachtoffer, vergezeld van dwang.

Tijdens de zitting verklaarde verdachte dat hij uit een reflex hand uitstak omdat hij dacht dat het meisje haar telefoon liet vallen, en dat een aanraking mogelijk was maar niet met seksuele intentie. De officier van justitie steunde zich op de aangifte van het slachtoffer en de verklaringen van twee getuigen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte inderdaad het slachtoffer heeft aangeraakt, maar vond op basis van de context en de consistente verklaring van verdachte onvoldoende overtuigend bewijs dat dit een seksuele handeling was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de aanraking een seksuele handeling betrof.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.310991.24 (P)
Datum vonnis: 29 april 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats], Syrië,
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 april 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman R.F. Speijdel, advocaat in Almelo, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een dertienjarig meisje onverhoeds heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 31 juli 2024 te Enschede
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer]
een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het met zijn hand over de borsten van die [slachtoffer] vegen/wrijven
en welke aanranding werd vergezeld van dwang, door onverhoeds genoemde
seksuele handeling te verrichten.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 1 augustus 2024 liep verdachte op de stoep van de Broekheurne-ring in Enschede. Verdachte tegemoetkomend liepen, naast elkaar, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) en een vriendin. Tijdens het lopen waren zij TikTok dansjes aan het doen. [slachtoffer] heeft aangifte gedaan en verklaard dat zij verdachte uit tegengestelde richting aan zag komen lopen. Bij het passeren van verdachte zag en voelde [slachtoffer] dat verdachte met zijn hand over haar borsten veegde.
Kort na de gebeurtenis, tijdens het politieverhoor, en ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij uit een reflex zijn hand uitstak in de richting van [slachtoffer] omdat hij dacht dat zij haar telefoon liet vallen. Verdachte verklaarde ter zitting dat het zou kunnen dat hij [slachtoffer] daarbij heeft aangeraakt.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door de verklaringen van twee getuigen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het bewust vegen over de borsten van aangeefster steeds stellig heeft ontkend. Het moment dat verdachte en aangeefster elkaar passeerden ging snel. Gebeurtenissen kunnen daardoor anders zijn waargenomen.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Juridisch kader
De strafzaak tegen verdachte gaat over de aanranding, in dit geval onder de strafverzwarende omstandigheid van dwang, van een kind in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaar, dat sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven strafbaar is gesteld in artikel 247 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde is onder andere nodig dat wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat er een seksuele handeling is verricht. Volgens de Memorie van Toelichting [1] zijn seksuele handelingen, handelingen die bestaan uit een op een seksuele beleving gerichte aanraking(en) van lichaamsdelen. Hierbij kan het gaan om aanraking(en) over de kleding als om de aanraking(en) van het naakte lichaam alsook een combinatie hiervan.
3.4.2.
Is er sprake geweest van een seksuele handeling?
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] over het vegen over haar borsten door verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hiermee is er wettig bewijs dat verdachte over de borsten van [slachtoffer] heeft geveegd. De rechtbank heeft echter op grond van de overige stukken in het dossier en de consistente verklaring van verdachte over de context waarbinnen de aanraking heeft plaatsgevonden, niet de overtuiging gekregen dat deze aanraking een op een seksuele beleving gerichte aanraking betrof.
3.4.3
Conclusie
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte een seksuele handeling heeft verricht met [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

4.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
Buiten staat
Mr. Bos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 78.