Uitspraak
[bedrijf],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Overijssel
De werknemer was van augustus 2021 tot januari 2023 en vanaf 1 augustus 2024 in dienst bij de werkgever als kassamedewerker. Op 25 oktober 2024 werd de werknemer verdacht van het wegnemen van geld uit de kassa en kreeg hij andere werkzaamheden aan de deur. Op 25 november 2024 werd hij mondeling op staande voet ontslagen. De werknemer betwistte het ontslag en verzocht om vernietiging en loonbetaling.
De werkgever stelde dat de werknemer zelf was weggebleven van het werk en daarmee de arbeidsovereenkomst had beëindigd. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende had onderzocht of de werknemer de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen en dat het ontslag op staande voet niet schriftelijk was bevestigd. Uit WhatsAppberichten en verklaringen bleek dat de werknemer tot 10 november 2024 heeft gewerkt en daarna op non-actief was gesteld.
De kantonrechter stelde vast dat het ontslag op staande voet niet onverwijld was gegeven en dat de werkgever onvoldoende had onderbouwd dat er een dringende reden was. Het ontslag op staande voet werd daarom vernietigd. De werkgever werd veroordeeld de werknemer binnen zeven dagen toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden en het achterstallige salaris met wettelijke verhoging en rente te betalen. Het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd afgewezen.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot loonbetaling en toelating tot werk.