De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van het oplichten van twee slachtoffers door zich voor te doen als politiemedewerker en het verkrijgen van sieraden en een bankpas met pincode. De feiten betroffen twee afzonderlijke incidenten in juni 2024 waarbij verdachte alleen of samen met anderen zou hebben gehandeld.
Tijdens de openbare terechtzittingen op 14 april en 12 mei 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van de officier van justitie en de verdediging gehoord, evenals de verklaring van een benadeelde partij vertegenwoordigd door haar dochter. De officier van justitie achtte het eerste feit wettig en overtuigend bewezen, maar vorderde vrijspraak voor het tweede feit. De verdediging verzocht om volledige vrijspraak.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte de feiten had gepleegd. Hoewel verdachte samen met een medeverdachte naar een plaats was gegaan, kon niet worden vastgesteld wat zijn rol en kennis was omtrent de plannen. Er was onvoldoende bewijs voor nauwe en bewuste samenwerking (medeplegen). Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €12.200 gevorderd, maar deze vordering werd afgewezen omdat verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter moet indienen. Beide partijen dragen hun eigen kosten, die op nihil werden begroot.